Recensie

Recensie

‘Marokkaanse trots’: over onschuldige en harde botsingen in het voetbal

Voetbal Zo’n tien procent van de eredivisiespelers heeft een Marokkaanse achtergrond. In Marokkaanse trots vertellen een aantal van hen over vooroordelen, erkenning en cultuurverschillen.

AZ-aanvaller Oussama Idrissi viert de 0-2 tegen Ajax, begin maart in de Johan Cruijff Arena.
AZ-aanvaller Oussama Idrissi viert de 0-2 tegen Ajax, begin maart in de Johan Cruijff Arena. Foto Ed van de Pol/Soccrates

Khalid Boulahrouz was nog een onbekende verdediger van RKC Waalwijk, toen het Duitse Hamburger SV – destijds een topclub – hem wilde kopen. Het was een bliksemtransfer, in de zomer van 2004. Het ene moment stond Boulahrouz op het trainingsveld in Waalwijk, het volgende moment werd hij rondgeleid in het Hamburgse stadion met 57.000 zitplaatsen. Toen het contract was getekend ging hij naar het huis van de voorzitter. Er stond een tafel van wel tien meter lang, vol met worsten. Van varkensvlees. „Ik had extreme honger, maar dat mag ik als moslim natuurlijk niet eten”, vertelt Boulahrouz in het boek Marokkaanse trots van sportjournalisten Nordin Ghouddani en Thomas Rijsman, dat vorige week uitkwam.

De anekdote is typerend voor het boek, dat is opgebouwd als een serie persoonlijke interviews met 21 voetballers, trainers en spelersbegeleiders die een Marokkaanse (familie)achtergrond hebben. Er zijn bekende spelers bij, zoals Boulahrouz (ex-Chelsea, speelde 35 interlands voor het Nederlands elftal) en Mounir El Hamdaoui (kwam uit voor onder meer Ajax en AZ), al ontbreken grote namen uit het huidige voetbal zoals Hakim Ziyech (Ajax) en Mohamed Ihattaren (PSV).

‘Veel te trots’

De Marokkaanse cultuur en het West-Europese topvoetbal blijken vaak te botsen. Soms zacht en onschuldig, zoals met de varkensworsten – Boulahrouz moet er zelf om lachen. Maar soms ook hard. Mounir El Hamdaoui speelde in het begin van zijn carrière bij Excelsior uit Rotterdam, toen hij ‘op stage’ mocht bij Feyenoord. Ruud Gullit, een grote naam in het voetbal, was er trainer. Ze kenden elkaar niet. Toen El Hamdaoui aan hem werd voorgesteld, zei Gullit: „O nee, niet nog een Marokkaan. Die zijn veel te trots.” El Hamdaoui, in het boek: „Ik dacht: waar heeft hij het over? Ik kwam mijn best doen en het eerste dat hij zegt is dat Marokkanen veel te trots zijn. Wat betekent dat dan?”

Lees ook: NRC interviewde 17 (top)voetballers over racisme.

Iets dergelijks maakte Oussama Idrissi, aanvaller van AZ, mee met bondscoach Ronald Koeman. Idrissi deed het goed bij zijn club en was op dat moment topscorer van Jong Oranje. Tijdens een persconferentie vroeg een journalist aan Koeman of Idrissi in beeld was bij het Nederlands elftal. Koeman dacht even na en vroeg: „Is dat die jongen van AZ?”

Ja, zegt Idrissi (die heeft gekozen voor het Marokkaanse elftal), die opmerking heeft hem gestoord. Want stel, zegt hij, dat we allemaal dezelfde afkomst hadden, dan hadden mensen zo’n opmerking over een buitenspeler van Jong Oranje toch best gek gevonden? En dan: „Maar is het omdat wij Marokkanen zijn?”

De opmerking blijft in de lucht hangen en zet de lezer aan het denken over racisme en ongelijke behandeling in het voetbal, sowieso een groot onderwerp nadat vorig jaar Excelsior-speler Ahmad Mendes Moreira van het veld stapte na openlijk racisme vanaf de tribunes.

In discussie

Dat effect heeft het boek vaak, ook omdat auteurs Ghouddani en Rijsman – ze zijn jeugdvrienden met een totaal andere familie-achtergrond – regelmatig met elkaar in discussie gaan. Rijsman, geboren in Nederland, beschrijft Youssef El Jebli, voormalig middenvelder van De Graafschap, als „de fanatiekste moslim in de Eredivisie”. Ghouddani, geboren in Marokko, wijst hem terecht: „Zo zeg je dat niet, Thomas.” Die pareert: El Jebli draagt toch een maillot onder zijn sportkleding omdat hij zich wil bedekken vanwege zijn geloof. Wat ben je dan, vraagt hij zich af. Extreem? Streng? Ghouddani: „Hij is de meest praktiserende. Zo zeg je dat.”

Er stond een lange tafel, vol met worsten. Van varkensvlees

Khalid Boulahrouz voormalig voetballer

El Jebli zelf blijkt erg openhartig. Hij vertelt dat hij na de terroristische aanslagen in maart 2019 op moskeeën in de Nieuw-Zeelandse stad Christchurch, nauwelijks kon trainen omdat het hem zoveel pijn deed. Zijn ploeggenoten hadden er veel begrip voor. Dat hebben ze sowieso, zegt El Jebli, al zijn ze soms nieuwsgierig. El Jebli mag niet zomaar afspreken met vrouwen – er moet altijd een begeleider bij zijn, zoals een vader of broer. „Oké, goed om te weten”, zei ploeggenoot Stef Nijland toen hij dat uitlegde in de kleedkamer van De Graafschap.

Khalid Boulahrouz (rechts op foto) in 2012 als speler van Oranje.
Foto Koen van Weel/ANP
Youssef El Jebli juicht voor De Graafschap in mei 2018.
Foto Erik Pasman

Een ode

Het helpt dat Ghouddani en Rijsman hun geïnterviewden heel vriendschappelijk benaderen. Althans, voor hun openhartigheid. Maar het heeft ook een keerzijde: ze zijn soms teveel fan. In het voorwoord schrijven ze dat het boek „een ode” is aan Marokkaanse voetballers op de Nederlandse velden. Ze lijken daardoor soms te vergeten om kritische vragen te stellen, geven wat te vaak complimenten („El Hamdaoui is misschien wel een van mijn favoriete spelers ooit”, schrijft Rijsman) en wederhoor mist bij de kritische anekdotes over bijvoorbeeld Gullit en Koeman.

Dat is jammer, maar het boek geeft voldoende onverwachte inzichten om door te willen lezen. Veel van de geïnterviewden vinden dat spelers met een Marokkaanse achtergrond het lastiger hebben om carrière te maken dan ploeggenoten met een West-Europese achtergrond. Adil Ramzi, assistent-trainer van PSV, vertelt hoe hij zich ontfermde over Ihattaren. Die was volgens Ramzi in de jeugdelftallen iets te dik, ook doordat in de Marokkaanse cultuur uitgebreid wordt gedineerd. „Overal zit brood bij, en sausjes.”

Ze hebben samen een plan opgesteld, gepraat met een diëtist. Nu is Ihattaren een van de grootste talenten op de Nederlandse velden. Dat Ramzi zelf een Marokkaan is heeft geholpen, denkt hij. Nee, hij weet het zeker: als hij de cultuur waarin Ihattaren opgroeide niet had begrepen, dan was het talent voor altijd verloren gegaan.