Reportage

De ronde van de huismeester is niet rond

Voor huismeester Said Arab valt de beproeving van corona nog mee. Op een dag zag hij alles wat een mens wil vergeten.

Said Arab pratend met een bewoner. Vanwege corona komt hij alleen bij bewoners binnen als het moet. Zoals laatst, na „een fikkie” op een balkon.
Said Arab pratend met een bewoner. Vanwege corona komt hij alleen bij bewoners binnen als het moet. Zoals laatst, na „een fikkie” op een balkon.

Lees de online versie van dit artikel op nrc.nl/deflat-corona

Op de vraag hoeveel mensen er in de L-flat wonen is het antwoord van huismeester Said Arab (51) ontwapenend. „Ik weet het niet.” Tot zijn verbazing trof hij eens vijf Polen in een appartement dat op naam stond van een andere bewoner. Die bleek z’n flat stiekem te hebben onderverhuurd. „Zulke geintjes” komen hier vaak voor, zegt Arab. Dus wonen er zestienhonderd mensen in de flat? Tweeduizend? Het is grootspraak als je het zegt te weten.

Gedijen als huismeester van de flat is het aanvaarden van wanorde. Van ruigheid zelfs. Arab vindt het „zeer, zeer spijtig” dat een bewoner maandenlang werd gepest door buurtkinderen en onlangs zelfs uit de flat is verhuisd. Maar nee, hij verwijt het zichzelf niet. De man woonde in een „rotstuk” van de flat, bij de drukke onderdoorgang die al decennia garant staat voor overlast. En er zijn nu eenmaal kinderen die rotzooi trappen. Kinderen van tien, twaalf jaar. Wat te doen? Je kunt hun ouders waarschuwen, de politie erbij halen – en dat ís gebeurd. Maar, zoals iemand binnen Arabs wooncorporatie eens zei: sommige ouders in de flat gedragen zich zélf als halve kinderen.

Arab zegt het zo: „In de flat wonen veel mensen met een rugzakje.” Ze dragen de last van schulden of een stoornis met zich mee, of een trauma uit jeugd of oorlog. In zijn vijftien jaar als huismeester ervoer hij de rauwheid van de flat van dichtbij.

Portiek zes. De ‘hondenman’. Bezitter van een pitbull of twaalf. Woonde zijn flat zo uit dat Arab en zijn collega’s die moesten ontruimen. Schold een collega van Arab de huid vol. Kreeg alsnog een nieuwe kans in zijn verschoonde flat. Binnen een maand was zijn huis weer een kennel. De man vertrok na een rechtszaak.

Portiek vijf. Drie vrouwen in een flat – ook op andermans naam. In minirok op de galerij, plamuurlaag make-up. Buren klaagden. Arab bekeek de beelden. Mannen kwamen ’s avonds aangereden en gingen één voor één de woning in. „Een kwartier, twintig minuten.” De politie greep in.

Als Arab een journalist was, zou hij volumes vol hebben geschreven over wat hij heeft gezien en gehoord. Maar hij is een huismeester, en een kalme bovendien. Hij práát zelfs onaangedaan. Zo terloops als men vraagt om het tafelzout, zo kan Said Arab zeggen dat er in de flat vijftig woningen ernstig vervuild zijn. Víjftig? „Waarschijnlijk zijn het er veel meer.” Méér dan vijftig? „Misschien wel het dubbele aantal, zegt het sociaal team.”

Kalmte hoort bij hem, zegt hij. „Ik ben altijd zo geweest.”

Arab komt uit een dorp in het Rifgebergte in het van noorden van Marokko. Hij ging er één jaar naar school, op tien kilometer lopen. Zijn moedertaal is Tamazight maar hij kreeg les in het Arabisch. „Dat was moeilijk.” Zijn vader was als fabrieksarbeider neergestreken in Zeist. Op zijn negende volgden Said en zijn moeder, zus en broers. Dit keer kreeg Said les in de vreemde taal Nederlands – hij moest beginnen tussen de kleuters. Hij rondde de lts af en werd timmerman. Van conciërge in een andere Zeister wijk werkte hij zich op tot huismeester van de L-flat. In de belangrijkste twee talen van de flat is hij thuis. Nederlands en Arabisch.

Zijn zwartste werkdag beleefde hij in 2016. Het was een vrijdag. Hij kwam aanfietsen als altijd toen een vrouw hem wenkte. „Kijk eens op dat dak”, zei ze. Hij keek. Op het dak van het ketelhuis achter portiek zeven lag een man op zijn buik. Gesprongen vanaf het dak. Said Arab zag alles wat een mens wil vergeten.

Elke andere beproeving wordt dan bescheiden. Ook een pandemie. „Het is rustig deze weken”, zei hij laatst in zijn kantoortje op gepaste afstand. Zijn toon was luchtig als altijd, zijn gezicht bleek van gebroken Ramadannachten. Sinds de lockdown houdt hij geen inloopspreekuur meer, vertelde hij. Het bewonerscontact verloopt telefonisch. „Als er twee keer op een dag wordt gebeld, is het veel.”

Binnen bij bewoners komt hij alleen als het echt moet. Een maandje terug: een bewoner met psychische problemen had „een fikkie” gestookt op z’n balkon. Arab en een collega erheen. De man deed niet open. „Hij was denk ik al weg.” Dan maar via de buren naar binnen. Althans: hadden ze geen koorts? Ook niet verkouden? Op anderhalve meter afstand de gang door, het balkon op. De brand bij de buurman was uit. Arab nam contact op met de hulpverleners van de man. En passeert zelf diens flat oplettend op zijn dagelijkse ronde.

Of ‘ronde’ – daarvoor zou hij na de voorzijde van de flat de hoek moeten omslaan en over het grasperk aan de achterzijde moeten teruglopen. Daar waar 728 balkons op uitkomen. Maar Said Arab mijdt het grasperk meestal. De tijd van neerploffende bankstellen en kasten is voorbij, zegt hij – daders, zodra getraceerd, worden streng beboet. Maar nog steeds gooien mensen „van alles en nog wat over hun balkon. Zonder te kijken.” Noem het zijn wijsheid. Een ronde om de L-flat, die is beter niet rond.