Opinie

Belverpleegkundige

Marcel van Roosmalen

Alleen mijn broer kon het nog opbrengen om de dagrapportages over mijn moeder te lezen. Ze droeg sinds kort luiers, bij het verwisselen deed ze boos tegen het verplegend personeel en ze had de gewoonte ontwikkeld om haar fotolijstjes mee in bed te nemen.

Tot ons kwam de mededeling dat we mijn moeder mochten zien. Het contactmoment stond ingepland op vrijdag tussen 13.00 en 13.15 uur, 220 kilometer verderop.

We zaten op tuinstoelen in een partytent die tegen het gebouw was gezet. Op een tafeltje lag een babyfoon. Achter een ruit zat mijn moeder, ze gebruikte haar babyfoon als een telefoon. Om haar met het apparaat te helpen zat er een ‘belverpleegkundige’ bij. Ik kende deze situatie alleen uit speelfilms, waarin gedetineerden vanachter glas telefoneerden met hun bezoek. Alleen wisten die dan nog wel wat ze zeiden.

Openingszin van mijn moeder: „Wat zie jij er slecht uit!”

Daarna tegen de vriendin: „En jij ook! Zijn jullie moe? Verschrikkelijk.”

Ik: „Jij ziet er ook slecht uit!”

De belverpleegkundige ging er maar eens goed voor zitten.

We stelden vragen: Hoe gaat het? Hoe voel je je? Wat mis je?

Ze begon over de voortreffelijke omstandigheden waarin ze was opgeborgen. Voordeel van een kamer zonder spullen was dat je niet hoefde op te ruimen en verder was ze heel tevreden over alles. Ze keek de belverpleegkundige aan: „Heb ik het goed gezegd?”

We keken naar mijn moeder en de belverpleegkundige met wie ze het zo goed getroffen had.

‘Haar overlevingsmechanisme staat aan”, legde een bevriende huisarts me later uit. „Dementerenden richten zich op de directe omgeving.”

Ik was een schim uit het verleden en eentje die er nog slecht uitzag bovendien. Vragen werden niet beantwoord, ze zei wat er in haar opkwam.

„Deze inrichting is beter dan die waar ons Riet zat, veel beter.”

Riet was een jongere zus, net als de rest overleden, ze was in de jaren vijftig of zestig opgenomen geweest.

„Het is hier beter dan daar”, bleef ze zeggen.

„Maar je zit niet in een inrichting”, zei ik. „Dit is een tijdelijk verblijf. Voel je je opgesloten?”

„Ik zit liever binnen dan buiten, ze zeggen dat het waait.”

Tegen de belverpleegkundige: „Waait het?”

We moesten afronden, achter ons stond een volgende familie.

„Waar ga ik naartoe?”, vroeg ze toen ze omhoog werd geholpen.

De persconferentie was voorbij, ik tikte tegen het glas. Wist ze dit nog over een kwartier? Ik had zin om met haar te wandelen, maar daar is Nederland nog niet aan toe.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.