Opinie

Oude boer op dood land

Tommy Wieringa

In Brabant werden eerder deze maand in één beweging cultuur en milieu afgeschaft. Het nieuwe provinciebestuur bracht de cultuur onder bij Vrije Tijd en het milieu bij Landbouw, Voedsel en Natuur. De volgorde is van belang. „We gaan verduurzamen”, zei CDA-landbouwgedeputeerde Elies Lemkes-Straver, „maar het tempo moet realistisch zijn en haalbaar.” De boeren dicteren het tempo, met andere woorden, want Lemkes-Straver spreekt als voormalig ZLTO-directeur met de stem van de agro-industrie. Als er al van enige verduurzaming sprake is, dan voltrekt die zich in Brabant in het tempo van de os en de ploeg, waar dat van een renpaard nodig is. Voor urgente dossiers als stikstofemissie, CO2-uitstoot en landdegradatie houden de politiek en de gangbare boeren in Brabant zich doof en blind.

„Boeren zijn goede natuurbeheerders”, zei Lemkes-Straver met droge ogen. Ja, en Attila de Hun is een prima museumdirecteur. Hoe kun je van een boer die in zo kort mogelijke tijd zo veel en zo goedkoop mogelijk moet produceren verlangen dat hij ook nog eens aan natuurbeheer doet? Of oog heeft voor cultuurhistorische landschapselementen? Een boer heeft altijd haast, met de hete adem van banken en coöperaties in zijn nek. De marges zijn klein, de druk is groot. Elk hoekje of obstakel waar hij niet met zijn negenmetermaaier bij kan maakt dat hij minder efficiënt produceert en ’s avonds nog later zijn benen onder tafel schuift. En als hij daarboven in zijn cabine een paar keer zijn kop stoot op hobbelig oud cultuurland zal hij het met wraaklustig genoegen egaliseren.

Rond de Saksische boerderij waar ik eens met mijn vader woonde worden de oude, glooiende essen langzaam maar zeker door landbouwmachines afgevlakt en verdwijnen de houtwallen in hoog tempo. Het betoverende coulissenlandschap maakt plaats voor graswoestijnen ten dienste van de intensieve landbouw, het bodemleven is zo goed als dood. Meststoffen en glyfosaat vervuilen het grondwater en driekwart van de insecten is verdwenen. Wie in Twente weidevogels wil horen kan ze het best beluisteren op waarneming.nl, want in het vrije veld zijn ze zowat uitgestorven. Dit geldt voor het grootste deel van het Nederlandse landbouwareaal. De gemiddelde boer doet pas aan natuurbeheer als hij ruim met subsidie wordt gecompenseerd. De boer die er het belang van inziet en er zelfs plezier aan beleeft om een zekere soortenrijkdom terug te brengen op zijn grond, is een witte raaf.

„Jij denkt dat je in de natuur woont”, zei de boer aan wiens land mijn huis grenst, „maar dit is industrielandschap.” Hij had natuurlijk gelijk, het is de realiteit, maar de gevolgen van die realiteit zijn op termijn ook voor hem en zijn mogelijke opvolger desastreus. De gemiddelde voedingswaarde van landbouwgewassen neemt al decennia af omdat bij turbogewassen de groeisnelheid ten koste is gegaan van vitaminen en mineralen. De intensieve landbouw heeft naast monsteropbrengsten ook hardnekkige schimmels, onuitroeibare plaaggewassen en multiresistente bacteriën voortgebracht – niet voor niets mogen varkensboeren het ziekenhuis alleen via de achteringang binnen. En last but not least kunnen gangbare boeren als mijn buurman nog maar een keer of vijftig oogsten van hun land, blijkt uit onderzoek van de VN-landbouworganisatie, voordat de grond volledig is uitgeput. Dan is het sprookje van goedkope voedingsstoffen uit en het proces van landdegradatie voltooid.

Een zomerdag, een jaar of wat geleden – ik reed met mijn vader over een landweggetje bij Noordpolderzijl. De ramen open, de zon brandde op de velden. Daar ergens, met niets dan Groningse oneindigheid om ons heen, zette ik de auto stil. „Moet je luisteren”, zei ik na een tijdje. Hij luisterde. „Wat moet ik horen?”

„Tureluurs”, zei ik. „Grutto’s, veldleeuweriken, kieviten en scholeksters.” We zwegen en luisterden. Doodse stilte. Verderop stond een gebogen gestalte aan de rand van de akker. Hij droeg een rieten hoedje en schoffelde tussen de aanplant, hetgeen een wat vergeefse indruk maakte op het veld dat zich tot aan de horizon uitstrekte. Oude boer op dood land. „Waar zijn de vogels gebleven?” riep mijn vader over de greppel. „De vos en de kraai hebben ze opgegeten”, riep hij terug. „Ja, nadat jullie hun nesten en schuilplaatsen wegmaaiden”, bracht ik daartegenin. Daarna nam het gesprek een vriendelijker wending. Bierema heette hij, hij schoffelde de kanten „zodat het er een beetje knap bij staat voor jullie”. Zijn voorgeslacht boerde al op de wierden van het Hogeland rond 800 na Christus. Hij was de eerste die sjalotjes verbouwde. Je kon ze kopen bij Albert Heijn.

Tommy Wieringa schrijft elke week een column op deze plaats.