Recensie

Recensie Boeken

Verboden eiland zonder opsmuk

Boeken Op Rottumerplaat kunnen de meeuwen eng zijn, als ze in het donker staan te beraadslagen.

Afzondering en vrijheid – die associatie roept het onbewoonde eiland Rottumerplaat op sinds de schrijvers Godfried Bomans en Jan Wolkers er in 1971 elk een week mochten overnachten. Voor Bomans bleek de zelfverkozen isolatie geen onverdeeld succes: „Er is geen enkel avontuur te melden dan het avontuur dat ik alleen ben en een stip in de ruimte. Dat is het grote avontuur. Maar ik zie niemand, ik hoor niemand, ik zie dezelfde vogels, meeuwen en sterntjes, dezelfde zee. Dat is indrukwekkend, maar een avontuur te melden heb ik niet.” Jan Wolkers, daarentegen, had er de tijd van zijn leven: hij redde een jonge scholekster en een jonge zeehond en verkende als een moderne Robinson Crusoe het eiland. Op de voorkant van zijn boek Groeten van Rottumerplaat poseerde hij naakt, zongebruind in het zand.

Dat er na vijftig jaar nog altijd nieuwe verhalen te vertellen zijn over het eiland bewijzen Barwolt Ebbinge, Doortje Dallmeijer, Aaldrik Pot en Nicolette Brandenhorst. Twee echtparen die – los van elkaar – vogelwacht waren op Rottumerplaat (Ebbinge en Dallmeijer van 2013 tot en met 2018, en Pot en Brandenhorst in 2019) en daarover een boek schreven.

Waar vogels voor de eenzame Bomans een eentonig schouwspel vormden, en voor Wolkers een bron van avontuur, observeren de vogelwachters de vogels (en hun eigen verblijf op het eiland) met nuchtere blik. Het leven van een vogelwachter lijkt van elke romantiek gespeend. Zo schrijven Pot en Brandenhorst in hun dagboeknotities: Dag 29 – 26 april, 07.23 uur. „Even iets heel anders. Sinds vanmorgen komt er namelijk een ondraaglijke lucht uit het doucheputje. Waarschijnlijk staat de afvoer richting de septictank droog. We hebben ons voorgenomen om niet al te vaak te douchen, onze watervoorraad is immers eindig. We spoelen toch maar wat water en een beetje azijn door het putje, maar dat verergert de stank alleen maar.”

Zo’n dagboekvorm is leuk, maar af en toe verzanden de notities in een keuvelend verslag. Pot en Brandenhorst geven weliswaar inkijk in hun dagelijkse routine (ook dankzij de vele mooie foto’s) maar door het registrerende taalgebruik blijf je als lezer op afstand.

Ebbinge pakt het anders aan: in zijn boek zoomt hij uit, en plaatst hij het onderzoek op Rottumerplaat in een breder geheel. Hij verhaalt uitgebreid over onder andere eidereenden, zilvermeeuwen en slechtvalken. Ook citeert hij Bomans: „Als ik me beweeg, vliegt alles wat vleugels heeft op en als ik over het eiland loop, gaat er een paraplu van woedende meeuwen over m’n hoofd mee”. En: „Als de meeuwen tot bedaren komen houden ze er een dof gemompel op na en dan is het net of een paar mannen vlak bij de tent in het donker met elkaar staan te beraadslagen. Ik vind dat eng.” Zelf heeft Ebbinge op het eiland soms ook het gevoel dat er „door de stille donkere nacht” iemand achter hem aanloopt. Op andere bladzijden verruilt hij die licht poëtische blik weer voor een puur zakelijke observatie.

Over een inventarisatie van 52 eidereendnesten: „Van de 52 gevonden nesten met eieren heb ik er aan het eind van de bewakingsperiode 43 terug kunnen vinden. Van die 43 waren 33 succesvol, 9 gepredeerd, en 1 verlaten zonder dat de eieren waren opgegeten. Een succespercentage van 77 procent, dat niet significant afwijkt van de 80 procent die we vonden bij de ongestoorde nesten.’

En: „Bij de telling werd het totaal aantal overtijende vogels op 29.000 geschat. Als talrijkste kwam de bonte strandloper uit de bus met bijna 11.000 stuks, gevolgd door de kanoetstrandloper met ruim 7.000 stuks.” Toch schuilt in die eenvoud ook juist de schoonheid – alleen al door het mooie woord ‘overtijend’, dat zoiets betekent als ‘op het land verblijvend tijdens hoogwater’.

Uiteindelijk is dat de kracht van beide boeken: ze laten Rottumerplaat zien zonder opsmuk. Een ongerept eiland waarop de mens slechts te gast is bij de vogels.