Opinie

Rotzooi, domheid en bizarre onverschilligheid

Column Amsterdam

Auke Kok

Toon me uw vuilniscontainer en ik zeg in welke stad u woont.

Boekenkasten hebben we vaak niet meer om te tonen wie we zijn, maar gelukkig is er een alterna- tief om iets van onszelf bloot te geven: ons afval. Wat dat betreft is de coronacrisis voer voor antropologen. Een blik op de zoveelste, door rotzooi overwoekerde vuilniscontainer laat zien hoe de Amsterdammer diep van binnen is. Een gemakzuchtige, asociale viespeuk is hij (m/v); een smeerpijp zonder benul van de overlast waarmee hij z’n medemens opzadelt. De stank, de deprimerend hoog opgetaste zakken, dozen, afgedankte schoenen, ladekastjes, broden, vruchtenpulp en andere etensresten: het laat hem koud. Hij gooit het neer bij de container zodra die vol is, of lijkt. Zolang hij maar verlost is van de smeerboel. De volgende zoekt het maar uit.

Snel doorlopen is het motto. Wegkijken, van niets weten. Wij, de anonieme vuilnisstorters, wentelen ons in ons opgemaakte bedje van quasi-onschuld. Kunnen wíj er wat aan doen dat we binnen moesten blijven en we daardoor meer vuilnis zijn gaan produceren? Nou dan.

In plaats van de rommel dan maar even thuis te stallen, kon de openbare ruimte, die immers van niemand is, het bezuren

Door de lockdown zijn we onze zolders, schuurtjes en balkons gaan opruimen, we moesten toch wat, en plotseling konden we minder gemakkelijk van de rommel af dan voorheen. De buren waren ons voor, de container bleek of leek weer eens vol en in plaats van de rommel dan maar even thuis te stallen, kon de openbare ruimte, die immers van niemand is, het bezuren. De idee dat de openbare ruimte juist van iedereen is, bleek ineens een suggestie, een waanvoorstelling die tot half maart in stand kon worden gehouden door een behoorlijk goed functionerend vuilnisophaalsysteem. Aan de ene kant relatief veel vuilnisophalers ziek (want corona), aan de andere kant veel thuisbezorgde pakjes en maaltijden, en voilà: het menselijk tekort stapelt zich voor iedereen goed zicht- en ruikbaar almaar hoger op naast de containers als in een slum in Calcutta.

De container bij mij om de hoek wordt dagelijks geleegd door overigens verbazend opgewekte vuilnismannen. Zingend en grapjes makend doen ze hun werk. Maar ze zijn nog niet weg of diezelfde container gaat alweer half verborgen achter een matras – en even later achter twee matrassen omdat de Amsterdammer in zijn peilloze slimheid denkt dat als er al een matras staat, een tweede er ook wel bij kan. Dat twee eigenlijk hetzelfde is als één.

Het is deze domheid, deze bizarre onverschilligheid die mij de hik bezorgt. Eerst hartstochtelijk uit het raam klappen voor de moedige ziekenverzorgers, dan nog even het vuilnis buiten zetten – herstel, nog even een oude radio, een bureaustoel en bakken met oude rommel tussen de reusachtige stapels pizzadozen flikkeren. Dat zijn wij.

Regels? Huh? Wélke regels?

Natuurlijk is het slechts een minderheid die zich zo gedraagt, maar dat geldt voor alle overlast. Nu het vuilnissysteem kraakt, en de Amsterdammer doet wat in hem opkomt, zien we de troep, én, denk ik in vlagen van somberte, onszelf.

Auke Kok is schrijver en journalist.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.