Rammstein van de eindspelstudie

Hans Ree

Net als theaterdirecteuren en treinmanagers hebben schakers de afgelopen tijd plattegrondjes getekend, om te onderzoeken of ze straks weer in levenden lijve op gepaste afstand kunnen spelen. Als het al kan, zullen veel mensen er waarschijnlijk op die manier geen zin in hebben.

In Wenen werd een paar weken geleden een proefje genomen. Er werd op straat gespeeld, dan mocht er meer. Er waren maar vier deelnemers en een wedstrijdleider, dat hielp. Het hielp ook dat ze in Oostenrijk slechts een meter afstand hoefden te houden.

Onder deze ideale omstandigheden was er toch een onverwacht probleem. Als de zon scheen, konden de spelers op het venstertje van hun digitale klok alleen zien hoeveel bedenktijd ze nog hadden als ze de hoofden te dicht bij elkaar brachten. Afschuwelijk dilemma. Een kleine kans op besmetting of een grote kans op tijdsoverschrijding. Wat te doen?

De stroom online wedstrijden zwelt dagelijks aan, ook op het hoogste niveau, maar ik heb het gevoel dat de hoogbegaafde spelers en commentatoren onder leiding van Magnus Carlsen dagelijks een toneelstukje opvoeren om te doen alsof ze met iets belangrijks bezig zijn. Daarom hier nu iets heel anders, een studie die in het aprilnummer van het Engelse tijdschrift Chess gepresenteerd werd door Amatzia Avni. Het is een compositie van Michael Roxlau, redacteur van het probleemtijdschrift Die Schwalbe, waarmee hij in 1999 een eervolle vermelding won in een concours van het Russische tijdschrift Sjachmatnaja Poezia (Schaakpoëzie).

Wat een spektakel! Zes dameoffers, drie damepromoties, een paardpromotie en ook nog wat klein grut; twee paardoffers en een loperoffer. Heroïsch, furieus, gepassioneerd, om muziektaal te gebruiken.

Is het niet te bombastisch? Als het muziek was, zou het een stijl zijn waar ik niet van houd. Kon het zijn dat deze studie vooral mooi is voor mensen die weinig van eindspelstudies weten en een primitieve smaak hebben? Het maakte me niet uit, ik vond het prachtig.

Vladimir Kramnik zei eens dat hij niet kon zeggen of Magnus Carlsen de Mozart van het schaken is, maar dat hij wel zeker wist dat Kasparov de Rammstein van het schaken was. Misschien is Michael Roxlau, die vaker zware kanonnen in zijn studies laat daveren, de Rammstein van de eindspelstudie.

Michael Roxlau, Sjachmatnaia Poezia 1999, eerste eervolle vermelding. Wit begint en wint.

Zie diagram

Zwart dreigt mat te geven met 1...g1D+, een zet die ook na 1. Dxf4 zou komen. 1. Dg1 De eerste paukenslag. 1...fxg1D 2. h8D Dc5 Nog een spectaculair dameoffer. Zwart verhindert het door 3. Dc8 dreigende mat en dreigt opnieuw zelf met 3...g1D+ mat te geven. 3. Df6+ Db6 4. axb6 g1D+ Na 4...axb6 wint wit met 5. Lg1, wat 5...g1D+, waarmee zwart weer mat zou geven, verhindert en wit de tijd geeft om zelf mat te geven. 5. b7+ Db6 6. Pd5 Pe6 Na 6...Pxd5 of 6...Dxf6 komt 7. b8P mat en na 6...Dxd5 komt de klap uit een andere hoek met 7. Dxa1+ en mat op de volgende zet. 7. Dxe6 Weer een dameoffer dat niet mag worden aangenomen, want na 7...Dxe6 komt 8. b8P mat. 7...Dxd5 8. Dxd5 Td1 9. Lc7 De laatste prachtzet. Na 9. Df3 Td3 10. Dg2 Td2 11. Dh1 Td1 blijft zwarts toren de witte dame achtervolgen en wordt het remise. 9...Dxc7 Na 9...Txd5 10. Lxb6 Kxb6 11. b8D+ wint wit het eindspel. 10. De6+ Td6 11. Dc8 Td8 12. b8P+ Kb6 13. Da6 mat.