Nederlandse tieners relatief minder vaak op sociale media

Mediagebruik Anders dan leeftijdgenoten elders hebben Nederlandse tieners relatief weinig problemen met sociale media, blijkt uit onderzoek.

Foto Getty

Nederlandse jongeren scoren opvallend laag als het gaat om intensief en problematisch gebruik van sociale media. Dat blijkt uit een groot internationaal onderzoek dat deze week werd gepubliceerd.

De resultaten komen van onderzoeksnetwerk Health Behaviour in School-aged Children (HBSC), samen met Wereldgezondheidsorganisatie WHO, dat elke vier jaar het welzijn van kinderen in Europa in kaart brengt.

Het is de eerste keer dat cijfers over het socialemediagebruik van jongeren internationaal zijn vergeleken. In 45 Europese landen en Canada vulden vijfduizend jongeren tussen elf en vijftien dezelfde vragenlijsten in.

Vergeleken met buitenlandse leeftijdgenoten maken Nederlandse tieners niet vaak intensief gebruik van sociale media: van de dertienjarigen zegt 29 procent de hele dag contact met anderen te hebben op bijvoorbeeld Instagram (internationaal gemiddelde: 36 procent). Voor vijftienjarigen is dat in Nederland 37 procent en internationaal 41 procent.

Uit het onderzoek bleek eerder al dat het goed gaat met Nederlandse jongeren in vergelijking met de rest van Europa: meer dan 90 procent van de onderzochte jongeren geeft een voldoende aan hun eigen leven.

Ruzie met ouders

„Het algemene beeld is natuurlijk dat jongeren vooral bezig zijn met hun telefoon en heel veel op sociale media actief zijn”, zegt projectleider Gonneke Stevens (Universiteit Utrecht). „We hadden vooraf geen idee waar we Nederlandse jongeren internationaal moesten plaatsen. Wat opvalt is bijvoorbeeld dat Nederlandse jongeren weinig ruzie maken met hun ouders over het gebruik van sociale media.” Het past volgens Stevens in het algemene beeld in het rapport: „Nederlandse jongeren zijn behoorlijk tevreden met hun leven en sociale relaties. In landen waar jongeren ongelukkiger zijn, ligt het percentage van problematisch socialemediagebruik vaak hoger.” Om te meten hoe problematisch het gebruik van sociale media is, moesten de jongeren reageren op negen stellingen, als ‘Ik krijg conflicten over het gebruik’, ‘Ik vind mijn hobby’s niet meer interessant’ en ‘Ik voel me rot als ik niet meer op sociale media kan’.

Van de Nederlandse elfjarigen meldde 2 procent problematisch gedrag (internationaal: 6 procent); voor Nederlandse dertien- en vijftienjarigen is dat 4 procent (internationaal: 8 procent). Oudere meisjes hebben het meest last van problemen; zo zijn zij vaker slachtoffer van cyberpesten.

Stevens: „Het is gunstig dat Nederlandse jongeren opvallend laag scoren, want het problematische gebruik van sociale media hangt sterk samen met emotionele en sociale problemen. In landen die hoog scoren als Roemenië, Spanje en Malta is het overmatige gebruik problematischer.”

Volgens Stevens is het niet zo dat we ons nu helemaal geen zorgen meer hoeven te maken. „Maar als we het in Europees perspectief zien, scoren we wel positief. Wanneer mensen beweren dat de jeugd alleen maar bezig is met sociale media en dit een bedreiging vormt voor hun mentale gezondheid, biedt dit onderzoek in ieder geval een nuancering.”