Na 35 jaar oog in oog met de dader: ‘Ik heb het beest in de bek gekeken’

Zedendelict Slachtoffers en daders van zedenmisdrijven hebben vaker contact. E., die als kind seksueel misbruikt werd door een familievriend, gaat 35 jaar later met hem in gesprek. „Ik ben hier om iets af te sluiten.”

Illustratie Mikko Kuiper

Het misbruik was al meer dan 35 jaar geleden abrupt gestopt toen ze in april vorig jaar tegenover elkaar zaten in een zijkamer van de tbs-kliniek. „Ik wil dat je me aankijkt”, zei E., het slachtoffer, tegen A., de dader, die schuldbewust zijn hoofd liet hangen. In zijn handen had E. een vel papier, waar hij vanaf las wat hij al die tijd al tegen A. had willen zeggen. Nu, terugkijkend: „Ik wilde een punt zetten in plaats van een komma.”

Ik ben hier vandaag om iets af te sluiten. Ik vind het spannend en ongemakkelijk om hier te zijn. Een deel in mij is boos en een ander deel is alert. Maar ik ben ook dapper en gedreven.

„Het verhaal start op mijn zesde. Ik kom uit 1977, dus dat was in ’83. We woonden in een kleine stad in Drenthe. Het liep niet zo lekker tussen mijn ouders. Laat ik zeggen dat er niet zoveel aandacht voor mij en mijn zus was. Mijn vader ging ergens anders wonen en mijn moeder was zichzelf aan het ontwikkelen, haar eigen seksualiteit aan het ontdekken. Ze zat bij een soort vereniging voor vrouwen. Op een dag hadden ze een borrel in hun clubhuis en daar was een fotograaf bij. Mijn moeder was van hem gecharmeerd. Hij werd een familievriend en onze oppas. Hij bekommerde zich om mijn zus en mij. In een jeugdherberg in de stad had hij een kamer. Veel vriendjes en vriendinnetjes van ons kwamen ook bij hem. Wij waren echt wel gek op hem.”

Lees ook: Zedenslachtoffer praat vaker met dader

E., een lange man met bruin haar en een rond brilletje, vertelt zijn verhaal tijdens een wandeling door een groot stadspark. Even verderop woont hij, met zijn tienerzoon, zijn vriendin, en hun baby van vier maanden. E. praat helder over wat hem is overkomen, zonder te twijfelen of te haperen, een vaardigheid die hij heeft ontwikkeld tijdens de rits aan therapieën die hij de afgelopen jaren moest volgen om die knoop in zijn maag en druk op zijn borst te laten verdwijnen. E. noemt A. nooit bij zijn naam, altijd „hij”. Zelf wil hij om privacyredenen niet met zijn naam in de krant.

„Het begon met aanraken, met pakkertje, een beetje spelenderwijs. Zo deed hij dat ook met mijn vriendjes die in de jeugdherberg kwamen spelen. Bij mijn zus en haar vriendinnetjes deed hij alsof ze modellen waren. Hij fotografeerde ze en gaf ze veel complimenten.”

De ouders van E. wisten dat A. pedofiel was, en dat hij zijn gevoelens soms in praktijk bracht. „Hij liet mijn ouders wetenschappelijke verhalen lezen, vertelden ze me later. Over de seksuele ontwikkeling van een kind, en dat seksueel contact met een volwassene niet schadelijk was. Ik heb begrepen dat het in die tijd anders was. Dat niet alle alarmbellen gingen rinkelen als iemand zei dat hij pedofiel was.”

Het VARA-programma Een Groot Uur U wijdde in 1978 een uitzending aan het onderwerp pedofilie. Voormalig PvdA-senator Edward Brongersma vertelde er waarom het goed was dat kinderen relaties met volwassenen konden hebben. Het interview met Brongersma, die in 1950 was veroordeeld wegens kindermisbruik, onderstreepte het bredere draagvlak dat de pedofielenemancipatiebeweging kreeg in die tijd. In het progressieve milieu werden relaties tussen kinderen en volwassenen soms aangemoedigd. Tegenwoordig is het wetenschappelijk aangetoond dat ook kinderen die in de ogen van de misbruiker instemden met de handeling, op latere leeftijd veel last kunnen krijgen van wat hen is aangedaan. „Ik weet nog dat ik thuiskwam en dat ik tegen mijn moeder zei: we hebben getongzoend. Daar vond ze niet zo heel veel van.”

In het weekend waren mijn zus en ik bij jou. Op een ochtend haalde je je penis uit je broek en begon er mee te spelen. Je vroeg ons om hem aan te raken en je leerde ons je te masturberen. Je maakte het zelf af. Ik weet nog dat ik vroeg of je blij was, toen het klaar was.

Toen E. halverwege de twintig was en voor het eerst een serieuze relatie kreeg, verdween de behoefte aan seks met zijn partner. Daar sprak hij over met psychologen en seksuologen, die wel vermoedden dat het te maken had met zijn verleden, maar ze kwamen volgens E. nooit echt tot de kern. „Misschien was ik er zelf nog niet aan toe, of was mijn relatie met de therapeut niet goed genoeg.”

Toen zijn zoon geboren werd, E. was dertig, merkte hij dat er iets serieus’ aan de hand was met hem. „Ik kreeg aanvallen van hyperventilatie en ging slaapwandelen. In mijn slaap hing ik over de wieg van mijn zoon. Ik zat op mijn knieën en ellebogen en wilde hem beschermen. Mijn vriendin stormde de kamer binnen en ik schrok wakker. Daarna hebben we een slot op zijn deur gedaan.” Hun zoon was anderhalf toen E. en zijn partner uit elkaar gingen.

Ik was 8 jaar. Je had twee vrienden. Jan uit Rotterdam. Hij was erg aardig. En een man uit Eindhoven wiens naam ik niet meer weet. Ze kwamen bij je over de vloer. Jan zat in één van je slaapkamers te masturberen. Ik bood mijzelf aan. Seks was blijkbaar zo gewoon geworden en was een vorm van aandacht krijgen. Je hebt mij in een zomervakantie meegenomen met de trein naar Eindhoven en Rotterdam. Ik was door mijn ouders aan je overgeleverd. Je leende mij uit aan je vriendjes als een trofee. Je liet het toe dat zij mij misbruikten.

Tijdens de EMDR-traumatherapie die E. uiteindelijk kreeg op zijn 31ste, „brak er iets open”. „Voor het eerst besefte ik dat mij iets was aangedaan. Dat het niet mijn schuld was.”

Mensen die EMDR doen, proberen onder begeleiding van een psycholoog traumatische gebeurtenissen te herbeleven, vaak één bepalend moment, en die zo te verwerken. „De eerste keer met mijn zus haalde hij zijn penis uit zijn broek en ging hij zich aftrekken. Ik herbeleefde dat ik met hem in zijn kamer was. Dat hij me met dwang naar beneden duwde en dat ik hem oraal moest bevredigen. Hij heeft mij verkracht in mijn mond.”

Het misbruik hield op omdat A. werd gearresteerd. „Hij was bij een speeltuintje. Mensen vertrouwden hem niet. De politie kwam en hij moest zich legitimeren. Omdat hij al geregistreerd stond als zedendelinquent, hebben ze een inval bij hem gedaan. Daar vonden ze videomateriaal waar ik op stond. Mijn ouders, mijn zus en ik moesten bij de politie komen. We zaten met zijn allen in zo’n kamer en er werd een kinderpornofilm opgezet waar ik in zit. Ik schaamde me kapot.”

Lees ook Waarom EMDR-therapie werkt

Nadat jij uit ons leven was, zocht ik veel aandacht bij oudere mannen. Ik belde 06-lijnen. Chatboxen. Ik voelde mij smerig en schaamde mij ervoor. Ondertussen had ik hyperventilatie-aanvallen en constante buikpijn. De relatie met mijn ouders was niet goed. Ik leefde met geheimen over mijn gedachtes en gevoelens, voelde mij alleen en eenzaam en fantaseerde vaak over de dood.

E.’s ouders deden nooit aangifte van misbruik. Ze waren bang om uit de ouderlijk macht gezet te worden. „Ze wisten dat er seksuele handelingen plaatsvonden, maar kenden de details niet. Mijn vader schrok enorm. Door de beelden realiseerde hij zich dat het veel te ver was gegaan. Ik weet niet meer hoe mijn moeder reageerde.”

A. was na enkele maanden weer vrij. „Omdat ik verdrietig was, hebben mijn ouders hem bij ons thuis uitgenodigd voor een afrondend gesprek. Ik weet nog dat ik aan hem vroeg waarom hij had gelogen over zijn leeftijd. Hij had gezegd dat hij eind twintig was, maar was in de veertig. Dat was blijkbaar belangrijk voor de achtjarige ik.” A. zat tijdens die ontmoeting in elkaar gedoken, zegt E., en zei dat het fout was wat hij had gedaan. „Maar na dat gesprek ben ik nog een keer naar hem toe gegaan – stiekem. Hij trok me meteen bij zich op schoot en hij probeerde me gewoon weer te zoenen.”

Pas na de EMDR-therapie op zijn 31ste besefte E. dat zijn ouders het misbruik hadden laten gebeuren. „Ik werd woedend, voelde me alleen, in de val gelokt.” Twee jaar lang hadden ze geen contact, maar toen E. een therapeut vond die gespecialiseerd was in mannenmisbruik, gingen zijn ouders met hem mee. „Ik leerde waar mijn ouders vandaan kwamen, uit gesloten oorlogsgezinnen. Hun relatie was slecht in de tijd van het misbruik. Het kwam ze goed uit dat er iemand was die voor ons zorgde. Iedereen leeft met de beste intenties, heb ik in die gesprekken geleerd. Mijn ouders moeten nog steeds met hun schuldgevoel leven, mijn moeder is depressief geweest. Ze zijn door het stof gegaan.” In die gesprekken werd de mogelijkheid geopperd om A. nog een laatste keer te ontmoeten. Ze hoorden er over Perspectief, een organisatie die slachtoffers en daders met elkaar in contact kan brengen, ook als er geen aangifte is gedaan. „Het voelde nog niet afgesloten. We wilden hem confronteren met wat hij ons heeft aangedaan.”

Lees ook ‘Ik ben gewend om kritisch naar tranen te kijken’

In de zijkamer van de tbs-kliniek, een vergaderzaaltje met een whiteboard en een televisiescherm, zag E. dat A. dezelfde schuldbewuste houding aannam als tijdens het gesprek dat ze hadden toen E. acht was. „Hij zei alles wat hij moest zeggen. Dat hij al heel lang bang was voor deze dag, de dag dat hij mij in de ogen moest kijken. Ik geloof dat hij heeft geleerd dat deze houding de minste weerstand oplevert, maar niet dat hij het meent. Hij is ziek.”

E.’s ouders waren ook bij het gesprek. „Mijn vader wilde zeggen dat het hem spijt dat hij geen aangifte heeft gedaan. Hij heeft A. een briefje gegeven, een symbolische aangifte. Mijn moeder zei dat ze mijn zus en mij niet goed heeft beschermd.”

Van tevoren was afgesproken dat A. binnen zou komen als E., zijn vader en moeder en de begeleider van de bemiddelingsorganisatie al aan tafel zaten. Eerst sprak vader, toen moeder en daarna A.. E.’s zus was er niet, zij had geen behoefte aan een gesprek. E. had het laatste woord. „Ik heb hem post-its overhandigd waarop ik had geschreven wat ik nog tegen hem wilde zeggen.” Op een van de briefjes stond ‘NEE’. „Ik kon toen geen nee zeggen, maar nu wel. Dus hier heb je mijn nee.”

Ik heb het beest in de bek gekeken, dat geeft me zelfvertrouwen

E.

Wat heeft het gesprek hem gebracht? „Een week of twee had ik een euforisch gevoel. Ik was dankbaar dat ik dit had mogen doen. En ik sta nog steeds lichter in het leven. De druk in mijn borst is weg, ik denk omdat ik nu meer in contact sta met mezelf. Ik heb het beest in de bek gekeken, dat geeft me zelfvertrouwen.”

E. heeft nu een lastige tijd. „De baan waar ik aan zou beginnen is niet doorgegaan vanwege de coronacrisis. Maar ik laat mijn verdriet erover zien aan mijn gezin. Zoiets kon ik eerder niet. Dat komt echt door dat gesprek.”

Intimiteit blijf moeilijk, ook met zijn huidige partner. „Maar we praten erover.” Nu hij weer een pasgeboren kind heeft, slaapwandelt hij niet meer. „Maar het fysieke gaat niet vanzelf. De baby verschonen of haar douchen. Ik ben heel bewust van mijn aanrakingen.”

Omdat E. nooit aangifte heeft gedaan, heeft hij er geen recht op te weten of A. nog steeds in de tbs-kliniek zit waar hij belandde voor het misbruiken van andere kinderen. Van een zedenrechercheur heeft E. begrepen dat A. waarschijnlijk nooit meer vrij zal komen.

Lees ook Aangifte doen geeft weer controle