Opinie

Leven met risico’s

Frits Abrahams

’SMorgens reis ik op een doordeweekse dag met de metro vanaf het Centraal Station naar Amsterdam Zuid-Oost, vroeger een reisje van niks, hooguit twintig minuten, maar nu voel ik enige spanning. Hoe druk zal het er zijn, is anderhalve meter afstand haalbaar, is dit wel een ‘noodzakelijke reis’ volgens de richtlijnen van de overheid?

Ik moest naar een medische kliniek voor een controle, die kort na het uitbreken van de coronacrisis was uitgesteld. Verder uitstel leek me niet raadzaam. Ik was aangewezen op openbaar vervoer. Taxi’s waren niet veiliger en bevriende autobezitters val ik liever niet lastig – waarom zouden zij voor mijn risico moeten opdraaien?

Vóór het Centraal Station kijk ik naar zes bouwvakkers die ploeteren op de bouwplek bij het station, waar een ingrijpende herinrichting gaande is. Ze worstelen gezamenlijk met loodzware pijpen – geen klus die te klaren is met anderhalve meter onderlinge afstand.

Pas als mijn trein vertrokken is, durf ik opgelucht adem te halen. Er zijn weinig passagiers en ze gaan zo ver mogelijk uit elkaar zitten. Vrijwel niemand draagt een mondkapje, die zijn pas vanaf 1 juni verplicht. Het wordt niet veel drukker, zelfs niet op het Amstelstation. Ik herinner me hoe deze trein kon uitpuilen van kantoorpersoneel dat bij Station Bijlmer Arena moest uitstappen.

Maar die kantoren staan nu goeddeels leeg, merk ik als ik even later door de aangrenzende straten loop. Amsterdam zucht ook hier onder de coronacrisis, maar minder zichtbaar dan in de binnenstad. Ik loop door een futuristische spookstad, een stad die in de geest een doodse maquette is gebleven. Er rijden wat auto’s, maar er loopt slechts één ander menselijk wezen, een jonge vrouw met een hond.

De kliniek heeft zich goed voorbereid op de heropening, alles verloopt volgens een strak protocol. Niet eerder melden dan tien minuten vóór het tijdstip van de afspraak, de markeringen op de grond volgen om de juiste afstand te bewaren, onder toezicht van de baliemedewerkster de handen ontsmetten en een niet-medisch mondkapje voorbinden – zo’n mondkapje dus dat geen zelfbescherming biedt.

Begeleiders worden weggestuurd. „We willen niet te veel mensen in het gebouw.” Een vrouw wil een andere vrouw meenemen. „Wie is dat? Uw zus?” vraagt de receptioniste. De vrouw geeft geen antwoord en krijgt de vraag opnieuw. „Het is mijn partner”, zegt ze met tegenzin. We kunnen het allemaal horen, want veiligheid gaat voor privacy.

In de wachtruimte krijgen we plekken toegewezen met voldoende onderlinge afstand. Mijn bril beslaat door mijn adem tegen het mondkapje. Een assistente roept me binnen, ze draagt tot mijn verbazing hetzelfde type mondkapje. „Ik zal blij zijn als ik het straks kan afdoen”, zegt ze, „als het u hindert bij het onderzoek kunt u het wel even afdoen”. Maar ik draag mijn lot als een man (sorry, vrouwen), vooral als even later ook de arts zelf binnenstapt met zo’n mondkapje.

Eigenlijk nemen we allemaal risico’s. Die bouwvakkers bij het station, de zorgmedewerkers die genoegen nemen met onvoldoende beschermende mondkapjes, de patiënt die het gehoorzaam ondergaat, en vooral al die Nederlanders die er met Hemelvaartsdag massaal op uittrokken. Het leven gaat door, we kunnen of willen ons niet blijven verbergen.