De Nes en de pest in De dolle vaandrig

Literaire plekken Amsterdam Guus Luijters schrijft op gezette tijden over de literaire plekken van Amsterdam.

Er zijn maar weinig steden in de wereld met zo’n onveranderlijke plattegrond als Amsterdam. Toen ik De dolle vaandrig, A.M. de Jongs „roman van Breêro’s leven” ter hand nam, was dat het eerste wat opviel. Het boek speelt rond 1600 en wie de binnenstad van Amsterdam kent, loopt zonder moeite met de hoofdpersonen door de stad van vier eeuwen geleden. Dat hoef je in Parijs, Berlijn of Bangkok niet te proberen.

‘Hij groeide op in de Nes, waar zijn vaders huis stond op de hoek van de Sint-Pieterssteeg, bij de hallen, de vis-, de vogelen- en de wortelmarkt’, zegt de eerste zin. De markt is verdwenen, maar de Nes en Sint-Pieterssteeg liggen er nog precies zoals in Bredero’s geboortejaar, 1585, de kaart van de stad uit die dagen laat hierover geen twijfel. Als de jonge Bredero op straat speelt, weten we precies waar: ‘Goede vriend was hij met de kleine rabauwen uit de donkere steegjes van de Oude Zijde, hanteerde hun vermakelijke en schilderachtige taal even gemakkelijk als zij en met hetzelfde rauwe, onverschillige accent.’

Een echt Amsterdams straatschoffie? Misschien, maar al gauw krijgt alles een hoog Malle Babbe-gehalte met bier dat immer schuimend is, en blond als gulle deernen. Het Amsterdam van A.M. de Jong ademt iets zeer Brabants. Hij is een beetje als zijn eigen Spaanse Brabander, alleen speelt hij geen Spanjaard, maar een Amsterdammer. De dolle vaandrig is een geromantiseerde biografie zoals die op het ogenblik zeer in de mode zijn. Het boek volgt Bredero’s leven op de voet, er wordt uitbundig uit zijn verzen geciteerd, zijn liefdesleven, P.C.Hooft en Vondel, alles komt voorbij, maar het is allemaal net even anders.

Op een avond, hij is even tevoren verleid door een zeer hartstochtelijke Joffer (‘Hij trilde over heel zijn lijf, kuste en kuste haar, gulzig, verslindend’), stuit hij op straat op een dode man, ‘het gelaat blauw opgelopen en afschuwelijk verwrongen van pijn en angst’. Het is 1604, en zoals De Jong schrijft: ‘De plaag heeft Amsterdam besprongen. De zwarte ziekte... De vreselijke pest. Iemand kreeg het ineens, viel neer, kromde zich in pijnen en krampen, was na uren al dood, soms na minuten, als door de bliksem geveld... zijn lijk werd zwart.’

De stad lag er verlaten bij, als ten tijde van corona: ‘De schrik voor de plaag dempte het leven af tot een drukkende dofheid: vele vrouwen hielden een in azijn gedrenkt doekje voor de neus en mond en liepen haastig voort als vluchtend voor een onzichtbare achtervolger.’

Kort nadat hij dit schreef, werd A.M. de Jong op 16 oktober 1944 in zijn eigen huis vermoord door twee Nederlandse SS’ers.

(De dolle vaandrig is alleen antiquarisch te verkrijgen.)

Guus Luijters schrijft hier op gezette tijden over de literaire plekken van Amsterdam.