Archeoloog Yannick Raczynski-Henk op de hoogvlakte bij Barozh. Op de achtergrond de vulkanen Pokr Arteni en Mets Arteni.

Interview

Beuken en rammen naar de oude steentijd in Armenië

Archeologie Archeologen moeten afzien in de Kaukasus. Yannick Raczynski-Henk vertelt over zijn onderzoek naar de steentijd.

Hitte, mitrailleurschoten, gammele Sovjet-voertuigen, schorpioenen en wodka. Ze vormen de achterkant van het onderzoek van steentijdarcheoloog Yannick Raczynski-Henk in Armenië. Hij beschrijft zijn werk en ervaringen in zijn onlangs in eigen beheer uitgegeven boek Met uitzicht op Ararat.

Het onderzoek zelf, waaraan Raczynski-Henk sinds 2009 meedoet, is er niet minder serieus om. Want de Armeense prehistorie is van belang voor begrip van de menselijke evolutie in het paleolithicum, de periode van 2,5 miljoen jaar geleden tot 10.000 jaar geleden. „Lang is gedacht dat de Kaukasus voor vroege mensachtigen alleen maar een doorgangsroute naar Eurazië is geweest en dat er weinig vindplaatsen zouden zijn. Dat blijkt anders te liggen”, zegt Raczynski-Henk, verbonden aan de Universiteit Leiden. „Er zijn veel overhangende rotsen (abri’s) en grotten waar werktuigen en botten goed bewaard blijven. Maar ook in de open lucht hebben we bijzondere vindplaatsen ontdekt, onder meer een van ongeveer 1,7 miljoen jaar oud.”

Tot een jaar of tien geleden was er in Armenië nauwelijks archeologisch onderzoek naar de oude steentijd gedaan. In de Sovjettijd was er vooral aandacht voor (landbouw)maatschappijen uit de ijzertijd en bronstijd. „Zelf hebben de Armeniërs weinig geld voor onderzoek. Zes teams uit de Verenigde Staten, Groot-Brittannië, Frankrijk, Duitsland en Japan leggen daarom nu een fundament.”

Raczynski-Henk belandde in Armenië via een Amerikaanse vriend uit zijn studietijd. „Mijn vrouw was niet blij, want ze zag alleen bandieten, en schietpartijen en landmijnen aan de grens met Azerbeidzjan voor zich.”

In plaats daarvan trof Raczynski-Henk gastvrije Armeniërs. Het ‘opgravingshuis’ met binnenplaats in Jerevan waarin hij en veertien teamleden de meeste zomers enkele weken verbleven, was van de ouders van een Armeense medewerker van het archeologische team. „Tijdens ons verblijf bivakkeerden zij in drie kamertjes.” Wel zorgde de kwaliteit van het drinkwater ervoor dat hij enkele dagen als een zombie op de wc doorbracht.

Het was mijn grote angst dat een student naar beneden zou vallen

 

De eerste plek waar hij aan het werk ging was Nor Geghi, 22 kilometer ten noorden van Jerevan. De vindplaats ligt zo’n twintig meter onder de rand van een bijna honderd meter diepe kloof van de Hrazdan-rivier. „We werkten op een oppervlakte van ongeveer honderd meter lang en vier meter breed. Het was mijn grote angst dat een student naar beneden zou vallen.” Daarbij kwamen ook nog eens de hitte – de temperatuur was 35 tot 40 graden – en de harde sedimenten waarin de archeologische resten zich bevonden. „Opgraven kon alleen door met houwelen, beitels en hamers te beuken en te rammen.” De sedimenten lagen ook nog eens onder een dikke laag basalt, de gestolde lava van een vulkaanuitbarsting meer dan 300.000 jaar geleden. „Je graaft dus zo ver als je durft naar binnen onder de steenmassa, meestal niet meer dan een meter. Op een dag, terwijl ik aan het graven was, krabbelde vlak voor mijn neus een schorpioen uit een spleet. Een student is later gestoken, maar gelukkig bleek het door een ongevaarlijke soort.”

Steeds kleinere vuistbijl

Al het zware graafwerk leverde in 2014 voor het onderzoeksteam wel een artikel in Science op. Ze ontdekten ruim drieduizend stenen werktuigen, zowel grove vuistbijlen als platte ronde schraperachtige werktuigen die volgens de Levallois-techniek zijn gemaakt. Lang is men ervan uitgegaan dat de verschillende technieken na elkaar en bij verschillende soorten zijn ontstaan: vuistbijlen zijn bij Homo erectus ontstaan, de Levallois-techniek zou door Neanderthalers naar Europa zijn gevoerd en klingen zijn door de moderne mens gemaakt. „Lekker overzichtelijk”, zegt Raczynski-Henk. „Maar de laatste jaren zijn op verschillende plaatsen in de wereld vondsten gedaan die aantonen dat het anders is gegaan. Onze vindplaats is een van de beste voorbeelden dat er van radicaal omdenken en nieuwe techniek geen sprake was. De Levallois-techniek kwam voort uit de techniek om vuistbijlen te maken. Als je een steeds kleinere vuistbijl maakt kom je vanzelf uit op een dunne ronde schraper. Verder zijn beide typen tijdenlang naast elkaar gebruikt. Onze vindplaats onder het basalt, die ongeveer 300.000 jaar oud is, is 20.000 jaar in gebruik geweest. In zo’n korte tijd evolueert de ene mensensoort niet in de andere.”

Welke mensachtige soort precies bij Nor Geghi aan het werk is geweest, is niet bekend. „We hebben geen menselijke fossielen gevonden, want die blijven in een openluchtvindplaats als deze slecht bewaard. Het Max Planck Instituut heeft wel geprobeerd om oud dna uit de sedimenten te halen, maar dat is niet gelukt.”

Dat is wel gelukt bij Lusakert, een andere vindplaats in de buurt, weet Raczynski-Henk pas sinds kort. „Meer weet ik op het moment niet.” Vorig jaar is wel al een artikel in Nature verschenen dat ze daar in een grot petrochemisch bewijs hebben gevonden van controle en gebruik van vuur door vroege mensachtigen rond 300.000 geleden. Dat werpt licht op de vraag of Neanderthalers toen al vuur gebruikten: veel archeologen dachten van niet.

Twee vulkanen

Iedere zomer gaat Raczysnki-Henk er ook op uit om nieuwe vindplaatsen te ontdekken. Bij Barozh, op de hoogvlakte ongeveer 70 kilometer ten westen van Jerevan, heeft hij met zijn Amerikaanse vriend en collega in de buurt van twee vulkanen een bijzondere vindplaats ontdekt. „Een oppervlakte van ongeveer zeshonderd vierkante meter is bezaaid met werktuigen van obsidiaan, versteend vulkanisch glas. In 2014 hebben we uit zes opgravingsputjes van een meter bij een meter 17.000 werktuigen opgegraven. Veel spitsen, waarvan de slagbulten waren verwijderd, mogelijk om ze gemakkelijker in de schacht van een speer te kunnen plaatsen.” Hij laat op zijn laptop een foto zien van een spits die bijna doorzichtig is. „De werktuigen zijn tussen de 60.000 en 30.000 jaar oud en het materiaal komt niet alleen van de naburige vulkanen, maar ook van vulkanen op vijftig tot honderd kilometer afstand.” Antwoord op de vraag wat dit voor plek was heeft Raczynski-Henk nog niet. „In de buurt waren bizons, paarden, berggeiten, beren en wolven, dus de spitsen zijn mogelijk voor de jacht gemaakt. In de hele omgeving hebben we verder geen vergelijkbare vindplaats gevonden. Gekscherend hebben we al gezegd dat dit de hoofdstad van Neanderthalistan was.”

Sinds twee jaar graaft Raczynski-Henk in het noorden van Armenië bij Haghtanak. „Daar is het nog heter dan bij Nor Geghi. En we zitten vlak bij de grens met Azerbeidzjan. Het aantal Armeense vlaggen op gebouwen neemt daar toe, rotsen op goed zichtbare bergtoppen zijn oranje-blauw-rood geschilderd, overal zijn bunkers en loopgraven en op sommige delen van de route is het beter niet te stoppen, omdat je dan vanuit Azerbeidzjan wordt beschoten. Soms horen we mitrailleurschoten op de achtergrond.”

Zogeheten choppers, stenen werktuigen die aan één kant waren bewerkt en door Homo erectus werden gebruikt.

Maar de vindplaats, ontdekt door Armeense archeologen die op zoek waren naar tombes uit de ijzertijd, is bijzonder: ze hebben er choppers van basalt gevonden, eenvoudige stenen werktuigen die maar aan één kant waren bewerkt en door Homo erectus werden gebruikt. „De voorlopige datering is 1,7 miljoen jaar oud”, zegt Raczynski-Henk. Dat is maar iets jonger dan de Georgische vindplaats Dmanisi, hemelsbreed 65 kilometer noordwestelijker en met een ouderdom van 1,8 miljoen een van de oudste vindplaatsen met fossielen van vroege mensachtigen buiten Afrika.

In Oost-Turkije, Iran en Azerbeidzjan moeten vast ook vergelijkbare vindplaatsen zijn, denkt Raczynski-Henk. Maar om religieuze redenen ligt in de regio onderzoek naar de steentijd gevoelig. „Mijn vriend Phil, getrouwd met een Turkse, heeft geprobeerd een opgravingsvergunning voor Oost-Turkije te krijgen, maar dat is niet gelukt.” Ook in Armenië kan onderzoek naar het paleolithicum gevoelig liggen, weet Raczynski-Henk. „De ontstaansmythe van het Armeense volk zegt dat ze afstammen van een van de kleinzonen van Noach en volgens hun kerk is de aarde pas een paar duizend jaar oud. Een oude archeoloog van de Armeense Academie van Wetenschappen denkt dat een van onze vindplaatsen uit de middeleeuwen stamt. Maar de Armeense archeoloog met wie wij samenwerken houdt er moderne ideeën op na.”

Na al die jaren is Raczynski-Henk van het op het eerste gezicht ordeloze land en zijn bewoners gaan houden. „Ergens anders verklaar ik je voor gek als je een loszittend stuur met plakband gaat vastmaken, maar in Armenië is het een briljant plan.”

Met uitzicht op Ararat is te verkrijgen via www.haghtanak.nl