Opeens stond Frank Rijkaard op in de rust van de Champions League-finale, met Ajax in de knel

Champions League 1995 Deze zondag is het 25 jaar geleden dat Ajax de Champions League won. Frank Rijkaard was de mentor van de jonge ploeg, in stilte op de achtergrond. Tot hij in de finale iedereen toesprak.

Frank Rijkaard kopt de bal in de finale tegen AC Milan.
Frank Rijkaard kopt de bal in de finale tegen AC Milan. Foto Paul Vreeker

Frank Rijkaard zit op zijn vaste plek in de spelersbus, aan de linkerkant, halverwege. Alleen, in gedachten verzonken. Met voor hem persvoorlichter annex teammanager David Endt en Jari Litmanen. Ze zijn net vertrokken bij hotel Am Sachsengang, iets buiten de oude, statige binnenstad van Wenen. Onder begeleiding van agenten op motor rijden ze de Donau over, naar het Ernst Happelstadion.

Het is woensdag 24 mei 1995, finale Champions League, Ajax-AC Milan.

Behalve de bekroning van Ajax’ Europese opmars, moet het ook de avond worden van Franklin Edmundo Rijkaard. Zijn internationale afscheid, met een adieu in stijl, hoopt men. Met de club waar hij groot is geworden – tégen de club waar hij wereldster werd. Hij stopt, ondanks de wens van velen om door te gaan. Hij is op. Mentaal opgebrand. Moe van de druk, van het presteren. Maar ook fysiek gesloopt. 32 jaar nog maar.

Rijkaard houdt een hand op zijn linkerknie. Door een verrekte binnenband, is hij drie weken uitgeschakeld geweest. De kans dat hij kan meedoen wordt op de zondag voor de finale nog op 65 procent geschat. Er wordt overwogen om met een injectie te spelen. Alles stelt hij in het werk om fit te worden, met een individueel programma onder leiding van assistent-trainer en ‘goede beul’ Bobby Haarms en fysiotherapeut Pim van Dord.

Twee dagen voor de finale traint hij voor het eerst weer mee met de groep. Zijn knie houdt het. Dat hij meedoet, is cruciaal voor het moreel van de jonge ploeg. Hij is de enige met ervaring in een wedstrijd van deze statuur. Drie finales in de Europa Cup 1, de voorloper van de Champions League, speelde hij met Milan. Twee wint hij er – met in 1990 de winnende tegen Benfica.

Informele leider

Hij is de informele leider van Ajax. Stil aan de oppervlakte, onaantastbaar op de achtergrond. Danny Blind, zijn compagnon centraal achterin, is de aanvoerder, die praat, stuurt en corrigeert. „Maar buiten het veld was Frank altijd met spelers bezig”, zegt Blind nu. Arm om de schouder, inpraten op teamgenoten, op hun gemak stellen, hun verhaal laten doen.

Rijkaard, zoon van een Surinaamse vader en Nederlandse moeder, groeit uit tot mentor van met name de jonge spelers met Surinaamse roots – Clarence Seedorf, Edgar Davids, Michael Reiziger, Patrick Kluivert. „Eigenwijze jongens, maar als hij iets zei, deden ze het”, zegt assistent-trainer Gerard van der Lem. „Frank was hun voorbeeld.” Ze stuurden hem vroeger fanmail (Seedorf) of gingen met hem op de foto (Kluivert) – en anders waren ze wel ballenjongen tijdens zijn eerste periode bij Ajax.

Frank Rijkaard aan de bal in de finale. Foto Paul Vreeker

In de bus wordt wel gepraat, maar het gaat nergens over. Ajax, vrijwel onverslaanbaar, is vol vertrouwen. Ze hebben Milan eerder in het seizoen met voortreffelijk voetbal twee keer verslagen in de groepsfase. Toch zijn er enige twijfels. Spelmaker Litmanen is herstellende van hooikoorts. En de geslepenheid, ervaring en fysieke kracht van Milan, dat Barcelona een jaar eerder met 4-0 versloeg in de finale, zijn onmiskenbaar.

Rijkaard dringt er in de voorbereiding bij coach Louis van Gaal op aan de spelers enkele dagen vrij te geven. Bij Milan doen ze dat soms ook, weet hij. Dat zou goed zijn voor de mentale frisheid. Van Gaal weegt af. „Door vakantie te geven, wat inderdaad misschien goed is voor de geest, verstoor je wel het dagelijks ritme”, zegt hij nu desgevraagd. Maar hij geeft ze een paar dagen vrij. Het illustreert de invloed van Rijkaard. Litmanen gebruikt die vrijheid en vliegt dat weekend nog op en neer naar Londen om de FA Cup-finale te bezoeken.

Met zo’n twintig minuten verloopt de busrit sneller dan verwacht en Ajax is rond half zeven in het stadion, twee uur voor de aftrap. In een geïmproviseerde drukkerij in een andere kleedkamer laat Endt de shirtjes bedrukken. Het is dan nog gebruikelijk dat wordt gespeeld met rugnummers 1 tot en met 11 – afwijkende ‘eigen’ rugnummers volgen later.

Kluivert, Davids en Seedorf dollen wat met een bal in de gang. Ze maken een praatje met een Braziliaanse man in een gifgroen pak die zich voorstelt als Marcione Santos, die zonder de vereiste papieren tot de ruimte is doorgedrongen. „Jij zal vanavond scoren”, zegt hij tegen reservespits Kluivert. Hij duwt hem een kruisje in zijn hand, dat Kluivert in de zak van zijn trainingsbroek stopt.

Rijkaard gaat met een gerust hart de wedstrijd in. Hij oogt ontspannen, in contrast met de strakke gezichten bij Davids en Seedorf die bijna symbolisch achter hem het veld oplopen – eerst de sintelbaan over. Hij is het anker waar de ploeg op rust. „Hij was de vader van de ploeg. Daar hoefde hij niets bijzonders voor te doen”, zegt Van der Lem. „Alleen zijn aanwezigheid was al genoeg.”

Emotioneel

In 1993 is hij teruggekeerd bij Ajax, na vijf jaar Milan. Het is Haarms die Van Gaal, die twijfelt of hij de ‘ster’ Rijkaard wel meekrijgt in zijn plannen, moet overtuigen. Rijkaard begint als middenvelder, wat in de eredivisie goed gaat, maar misloopt in de kwartfinale van de Europa Cup II tegen Parma. Rijkaard wordt overlopen, Ajax is uitgeschakeld.

„Als je echt op absoluut topniveau wat wilde, kon het niet meer”, zegt Rijkaard in de onlangs verschenen biografie over Van Gaal. Rijkaard zakt een linie en wordt gekoppeld aan Blind. Met dat centrale duo – gericht op controle én veel drang naar voren – groeit Ajax naar Europees topniveau.

Maar Ajax heeft het zwaar in Wenen. Met vier tegen drie is het middenveld in handen van AC Milan, dat dreigender is. Spits Marco Simone volleert spectaculair, Edwin van der Sar redt met zijn vuisten. Ze hebben geen grip op het duel, merkt Rijkaard. Hij voelt panische angst dat ze verliezen. Maar Ajax doorstaat de eerste helft: 0-0.

Vreugde na het winnende doelpunt van Patrick Kluivert tegen AC Milan. Van links naar rechts: Clarence Seedorf, Winston Bogarde en Frank Rijkaard. Foto Paul Vreeker

Er moet iets veranderen, denkt Rijkaard bij de rust. Hij loopt direct naar Van Gaal om te zeggen wat er in zijn ogen misgaat. Dat herhaalt hij vervolgens in de ruime kleedkamer, met een grote afbeelding van Ernst Happel aan de muur. Rijkaard grijpt in als de broertjes De Boer en Seedorf in een felle tactische discussie belanden.

Rijkaard spreekt, staand, voor de groep, wat hij zelden doet. Hij is emotioneel, geërgerd, een beetje boos zelfs. Verbeten en scherp, met die van nature zachte stem: „Je speelt misschien maar één keer een finale. Als je niet alles geeft, en je wint hem niet, dan krijg je die kans wellicht nooit meer. Je moet hem nu pakken. Nu zijn we er klaar voor. Wij zijn beter dan Milan. Dat hebben we al bewezen.”

Zijn toespraak van een paar minuten, maakt indruk. Hij toont: als het het hardst nodig is, staat hij – de beschouwende leider – op. Hij hamert erop dat spelers meer in hun taak moeten gaan spelen, in dienst van het team, en dat de balcirculatie omhoog moet. Van Gaal geeft hem de ruimte, voor hij zelf de bespreking overneemt voor enkele tactische aanwijzingen.

Van Gaal, terugblikkend: „Niets heeft meer invloed als dit soort topspelers het woord voeren.”

Blind: „Het deed er niet eens toe wat hij zei, maar dat hij wat zei.”

Endt: „In psychologisch opzicht was het belangrijk. Hij schudde de jongens wakker.”

Van der Lem: „Hij zei precies het juiste.”

Reserve Peter van Vossen: „Hij nam de regie over van Van Gaal. Het was de eerste keer dat ik zag dat Louis dat accepteerde, die hield ook zijn mond, heel verstandig.”

Haarms, in 1998: „Ik denk dat Franks aanwezigheid toen van beslissende betekenis is geweest.”

Ajax neemt na rust, onder regie van Rijkaard, meer het initiatief. Blind: „Frank is nadrukkelijker vóór de defensie gaan spelen, waardoor hij meer aanspeelbaar was.” Bindmiddel van de ploeg. Enkele omzettingen helpen. Ronald de Boer zakt vanuit de spits terug naar rechtermiddenvelder, Seedorf maakt plaats voor Nwankwo Kanu, die als diepste aanvaller gaat spelen. De onzichtbare Litmanen wordt vervangen door de gretige Kluivert. Twee spitsen erin, voor twee middenvelders: Van Gaal durft veel risico te nemen.

‘Altijd denken, altijd twijfelen’

„Schitteren vanuit de tweede lijn, dat heeft Rijkaard altijd heel letterlijk genomen”, schrijft NRC-columnist Hugo Camps kort voor de finale. „Poreus als een spons nam hij alles op. Altijd denken, altijd twijfelen, al wilde hij daar anderen nooit mee lastig vallen.”

De 86ste minuut, nog altijd 0-0, Milan lijkt vermoeid. Overmars zet op vanaf links, passt naar Davids, die afgeeft op Rijkaard. Hij drijft op, richting strafschopgebied, waar de vrije Kluivert wenkt. Rijkaard speelt strak in, wil een combinatie aangaan, maar Kluivert neemt de bal met links in één vloeiende beweging mee, gebruikt zijn sterke, jonge lichaam tegen Zvonimir Boban waarop de bal even stuitert en hij hem met links al vallend langs doelman Sebastiano Rossi puntert.

Een huilende Patrick Kluivert (links) houdt samen met Frank Rijkaard en Edgar Davids de cup vast. Foto Paul Vreeker

Minuten later rent Rijkaard na het eindsignaal in zijn eentje richting zijlijn, waar hij neerknielt en de grond kust, nadat Seedorf en Winston Bogarde hem in de armen zijn gesprongen. Rijkaard zoekt daarna snel de geborgenheid van de kleedkamer met goede vriend Van Vossen, met wie hij na wedstrijden steevast een sigaret rookt – Barclay. Van Vossen ligt in scheiding en heeft tot zijn grote teleurstelling niet gespeeld in de finale en worstelt met zijn emoties. Rijkaard weet van zijn privéproblemen en troost hem.

In een interview bij de NOS legt Seedorf een hand op het dijbeen van Rijkaard, die dan een hand op de schouder van zijn ploeggenoot legt. In de kleedkamer wordt Ajax gefeliciteerd door Silvio Berlusconi, eigenaar van AC Milan. Twee dagen later ontvangt Ajax een brief van Milan waarin de leiding „blij” zegt te zijn voor „Frankie”. „Hopelijk vertellen jullie hem dat, hij blijft altijd speciaal voor Milan.”

Bij zijn afscheid vier dagen later in De Meer tegen FC Twente – met vuurwerk, toespraken en een ereronde – krijgt hij een publiekswissel. In de kleedkamer zit Rijkaard met Van Vossen, die al eerder is gewisseld. Van Vossen: „Hij zat alleen in een hoekje. Ik mocht er even bij zijn. Er was iets ontstaan waardoor hij mij toeliet.”

Een sieraad van het Nederlands voetbal stopte – en hij verwerkte het in stilte.