Recensie

Recensie Boeken

De tragische geschiedenis van een vernederde actrice

Anne Enright In haar nieuwe roman probeert een schrijver de ware aard van haar overleden moeder, een beroemde actrice, te achterhalen.

Anne Enright
Anne Enright EPA

Wanneer is een toneelspeler werkelijk zichzelf: op het toneel, of daarbuiten? Het is de even intrigerende als evidente vraag die in portretterende verhalen over acteurs – vooral over actrices – gesteld wordt, zoals in John Cassavetes’ Opening Night, of Ingmar Bergmans Persona. Ook in Actrice, de nieuwe roman van Anne Enright (1962), is de authenticiteit van de vrouwelijke ster de leidende vraag. Een ervaren schrijver probeert een boek te schrijven over haar allang overleden moeder, de (fictieve) beroemde Ierse actrice Katherine O’Dell. ‘Hoe was ze echt’, wordt Norah voortdurend gevraagd. Het is een vraag die haar verwart: echt in het dagelijks leven, of echt op de bühne? Maar in het geval van Katherine krijgt de vraag nog een extra laag. Tegen het einde van haar leven wordt ze waanzinnig, ze schiet een producer in de voet met een geladen toneelpistool. ‘Echtheid’ gaat in dit geval ook over wie ze was zolang haar handelingen en taaluitingen nog samenhang vertoonden.

Vanuit de coulissen observeert Norah: ‘Ik denk dat er tussen het spelen van de non en het spelen van de actrice een moment was waarin mijn moeder zichzelf was. Tussen die twee punten bevond zich een flinter tijd waarin ze zoek was – waarin ze zo goed als niet bestond – waarna ze zichzelf hervond, of door de zaal aan zichzelf werd teruggegeven.’

Graaiende mannenhanden

Het niet-bestaan als ware aard, het is een van de pijnlijk mooie reflecties in Actrice. Misschien is dat ook waarom de paradox van de authenticiteit juist bij vrouwelijke acteurs zo veel diepte krijgt, omdat vrouwen in de geschiedenis überhaupt tot de stilte van het niet-bestaan, van het niet gezien worden, zijn veroordeeld.

De tragische geschiedenis van Katherine O’Dell is niet los te zien van haar benadeelde positie als vrouw: van haar beperkte houdbaarheid (ze was ‘op haar vijfenveertigste eerlijk gezegd passé. Professioneel, seksueel. In die dagen ging een vrouw zodra ze dertig was naar huis en trok de deur achter zich dicht’), fysieke kwetsbaarheid voor graaiende mannenhanden, van de minachting en het ongeloof waar intelligente vrouwen op stuiten. Waarmee Norah niet wil suggereren dat haar moeder terecht wraak nam op die stomme producer, die haar tijdens een casting vernederde. Simpele conclusies krijg je nergens in dit complexe, rijke portret; wat niet alleen een portret blijkt van Katherine, maar onvermijdelijk ook van haar dochter. Tussen het (zoekende, falende) herinneren door vangen we een glimp op van deze hedendaagse verteller, die een kalm leven leidt aan de Ierse kust, en al dertig jaar met dezelfde man is. Bij hem krijgt Norah de vastigheid die de relatie met haar moeder ontbeerde, al idealiseert ze het huwelijk niet. Die echtelijke scènes zijn nu eens prachtig teder, dan weer weerbarstig, en hoe dan ook altijd humoristisch.

Bloody Sunday

Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat Enright ook iets over Ierland probeert te zeggen. Ze schetst een gedetailleerd beeld van het land in de tweede helft van de twintigste eeuw, van de onrust die leidde tot Bloody Sunday, van het doorwoekeren van de republikeinse sentimenten en nationale trauma’s. Ook in deze context blijkt echtheid een complex begrip. Tot aan haar dood dweepte Katherine met de Ierse taal en liederen, ze was in Amerika die Ierse curiositeit, maar in werkelijkheid was ze geboren in Engeland, en was dat accent op latere leeftijd aangeleerd, en kwam het rode haar uit een potje. Nationale identiteit geeft vastigheid, maar het is een rol, een fictie. De ware aard ligt misschien wel in een moment van niet-bestaan besloten.