‘Lakeiengedrag’ bij verzoeken om informatie over koning

Wob-verzoeken De overheid lijkt zich meer te permitteren bij het Koninklijk Huis dan bij andere onderwerpen, als het gaat om het vrijgeven van informatie. Hoogleraar Wim Voermans noemt de werkwijze „verziekt”.

De werkkamer van Koningin Maximá in het Paleis Huis ten Bosch. De woning van koning Willem-Alexander en zijn gezin is de afgelopen jaren opgeknapt.
De werkkamer van Koningin Maximá in het Paleis Huis ten Bosch. De woning van koning Willem-Alexander en zijn gezin is de afgelopen jaren opgeknapt. Foto Patrick van Katwijk/ANP

De vraag was simpel, het antwoord allerminst, getuige de vijf A4’tjes juridische toelichting: nee, over het huis van de koning zeggen we niets.

Met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) vroeg NRC op 30 september 2019 in hoeverre de overheid meebetaalde aan de inrichting van de privévertrekken in Huis ten Bosch, sinds januari van dat jaar het woonpaleis van koning Willem-Alexander en zijn gezin.

De vraag is niet alleen relevant vanwege de hoge kosten van de renovatie – ruim 63 miljoen euro. Uit recent vrijgegeven stukken bij het Nationaal Archief blijkt dat al eind jaren zeventig stevig is gebakkeleid tussen overheid en Koninklijk Huis over de inrichtingskosten van het paleis.

Die discussies ontstonden toen koningin Beatrix begin jaren tachtig haar intrek wilde nemen in het Haagse paleis. Beatrix’ grootmeester kreeg indertijd gedaan dat de bijbehorende opknapbeurt (kosten: 24 miljoen gulden) grotendeels werd betaald door het Rijk, inclusief de privévertrekken van de koninklijke familie.

Dat was niet de afspraak, maar het argument dat de koningin deze ruimtes ook voor haar publieke functie zou gebruiken, bleek doorslaggevend. Ambtenaren die zich verzetten tegen de aanschaf van koninklijke boekenkasten van 300.000 gulden trokken aan het kortste eind.

Lees ook: De geheime deal rond de paleismeubels van de koninklijke familie

Binnenlandse Zaken deed bijna acht maanden over de behandeling van het Wob-verzoek naar de kosten van Willem-Alexanders woonvertrekken. Het ministerie vroeg herhaaldelijk om uitstel en verklaarde meer tijd nodig te hebben om antwoorden te verzamelen. Maar het uiteindelijke antwoord was: we kunnen hier niets over zeggen, omdat er nooit een uitsplitsing is gemaakt tussen privé en zakelijk. En bovendien: vanwege de privacy van de koning worden hierover geen mededelingen gedaan.

‘Kat-en-muisspelletje’

Zo gaat het vaker met Wob-verzoeken, zegt Wim Voermans, hoogleraar staats- en bestuursrecht aan de Universiteit Leiden. Hij noemt de wijze waarop de overheid omgaat met de Wob „verziekt”.

Overheden maken volgens hem een „kat-en-muisspelletje” van het rechtsbeginsel dat hen verplicht om bestuursinformatie te ontsluiten. Inclusief „juridische trucs” om journalisten om de tuin te leiden en vertragingstactieken, omdat bij kranten en andere media „de nieuwswaarde op een gegeven moment weg is, of de kas leeg”.

Voermans bekeek op verzoek van NRC de besluiten op twee Wob-verzoeken over de koninklijke paleizen. De eerste bij het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), waar NRC vorig jaar een overzicht opvroeg van alle paleisgebonden cultuurgoederen die de overheid sinds de jaren tachtig van de koninklijke familie kocht.

Van vier paleizen kreeg NRC snel de gevraagde informatie. Zonder het parlement te informeren bleek de staat voor zo’n 20 miljoen euro aan meubels en kunstwerken te hebben aangekocht. Meubels die vervolgens in bruikleen waren gegeven aan de Oranjes.

Een vijfde taxatierapport, over de meubels van Paleis Soestdijk, gaf het ministerie pas vrij nadat de bestuursrechter daartoe opdracht had gegeven. In het taxatierapport bleek veel informatie weggelakt, ter bescherming van „de persoonlijke levenssfeer” van de betrokkenen.

Bij het rapport zat ook een lijst van over te nemen schilderijen uit andere paleizen. Onder het duurste schilderij, een zeventiende-eeuws penschilderij van Willem van de Velde de Oude (taxatiebedrag 2,5 miljoen euro), waren drie regels onleesbaar gemaakt.

NRC publiceerde september vorig jaar dat het Rijk stilletjes duizenden meubels had aangekocht, ook die van Soestdijk. De Rijksvoorlichtingsdienst liet de krant in de waan dat het zo was gegaan.

Maar in december onthulde Zembla dat het bij de meubels van Soestdijk en de schilderijen uit het taxatierapport anders zat. Het onderzoeksprogramma van BNNVARA concludeerde dat uit een ongelakt exemplaar van het taxatierapport. Precies de onleesbaar gemaakte zin onder het penschilderij van Van de Velde de Oude bevatte daarover cruciale informatie.

Daaruit viel op te maken dat de koninklijke familie het schilderij en de Soestdijk-meubels niet verkocht, maar gebruikte voor een fiscale regeling. De werken werden geschonken aan de staat waardoor de familie 120 procent van de taxatiewaarde mocht aftrekken van de erfbelasting, verschuldigd na het overlijden van prinses Juliana.

Lees ook: Prinsessen voldeden erfbelasting met kunst

De taxateurs vreesden, zo staat in de weggelakte passage, dat de familie het kostbare penschilderij niet aan een museum zou overdragen, zoals de regeling voorschrijft. Daarin kregen ze gelijk: het penschilderij hangt nog altijd op dezelfde plek, in een werkkamer van de koning in het paleis op de Dam in Amsterdam.

Juridisch slimmigheidje

Mocht de passage in het taxatierapport dat NRC met een Wob-verzoek verkreeg worden weggelakt? Nee, zegt hoogleraar Voermans. Leden van de koninklijke familie zijn geen gewone privépersonen, het argument van de ‘persoonlijke levenssfeer’ is hier onterecht gebruikt.

Er was meer mis met de onleesbaar gemaakte zinnen, aldus Voermans. De overheid paste nog een juridisch foefje toe, om te voorkomen dat de krant bij de bestuursrechter met succes bezwaar kon maken.

Bij Wob-procedures over het Koninklijk Huis permitteert de overheid zich meer dan bij andere onderwerpen, is Voermans’ indruk. „Dan komt er ook nog lakeiengedrag bij.”

Het tweede deelbesluit waar Voermans naar keek betreft het eerder gememoreerde Wob-verzoek over de inrichtingskosten van Paleis Huis ten Bosch. Op 12 mei van dit jaar, na ruim zeven maanden wachten, liet het verantwoordelijke ministerie van Binnenlandse Zaken NRC weten eerst het parlement te willen informeren over de verbouwingskosten van Huis ten Bosch. Een niet-bestaande verdagingsgrond, zegt Voermans. Acht dagen later kwam het echte antwoord: het ministerie weigerde de vraag te beantwoorden, en excuseerde zich voor „de ontstane vertraging bij de afhandeling” van het verzoek.

Voermans is zorgelijk: „In wat voor duister rijk leven wij als de overheid zo omgaat met informatie die van ons allemaal is? De wet is bedoeld als controlemiddel op onze democratie.”

Met medewerking van Jorg Leijten