Recensie

Recensie Boeken

De woongroep die besloot te stoppen met eten

Gerda Blees De krachtige eerste roman van Gerda Blees (1985) is geïnspireerd op het waargebeurde verhaal van vier Nederlandse communeleden die besloten te stoppen met eten, en in plaats daarvan te leven van licht, lucht en liefde. (●●●●●)

Illustratie Paul van der Steen

Wij zijn de hoop. Wij menen uit alle macht dat het nog goed komt, na het dichtslaan van Wij zijn licht van Gerda Blees. Wij denken dat het de communeleden, die beschreven staan in de roman, lukt het roer om te gooien. Ze zullen een tosti maken en naar de supermarkt gaan. Want van de lucht alleen kun je niet leven, al geloofden ze lange tijd van wel. Zij sterven niet aan hun zelfverkozen hongersnood, zoals recentelijk hun groepslid Elisabeth. Ze komen tot inkeer. Net op tijd en voorgoed.

Wij zijn licht, de krachtige eerste roman van Gerda Blees (1985), die eerder een verhalenbundel en poëzie publiceerde, valt vooral op door de verrassende vorm. Met ‘Wij zijn…’ begint elk hoofdstuk. Vanuit telkens een nieuwe invalshoek wordt onthuld wat er gebeurd is en nu gebeurt met de drie mensen van de commune, nu de vierde is gestorven en zij zijn opgepakt door de politie.

Hoofdstuk twee bijvoorbeeld begint met: ‘Wij zijn de plaats delict. Nog niet zo lang geleden waren we gewoon een huis’. In hoofdstuk zeven heet het: ‘Wij zijn een sinaasappelgeur.’ Die geur hangt aan de handen van een rechercheur, en vormt voor de verdachte, een van de communeleden, tijdens het verhoor zoiets als de madeleine voor Proust. Met ‘Wij zijn het wereldwijde web’ begint een hoofdstuk waarin een oud online logboek wat achtergronden van de commune-ideeën levert; met ‘Wij zijn geitenwollen sokken, met de hand gebreid’ wordt van alles duidelijk over de familieverhoudingen van twee van de personages; en met ‘Wij zijn de feiten’ over een lijk, een opblaasmatras, geen sporen van geweld. Het op zich vrij eenduidig, gemakkelijk te ridiculiseren verhaal over een stel zweverige mafkezen dat met eten stopt, gebaseerd op een dergelijk geval in het echt, krijgt kracht door de verrassende vertelperspectieven en het verspringen ervan.

Beeldend kunstenaar

Blees treft met elk hoofdstuk een andere toon. Het verteltempo en het register veranderen al naargelang wie of wat het woord voert. Ze speelt met haar lezers op een manier die aan Joke van Leeuwen en Wim Hofman doet denken, schrijvers voor kinderen en volwassenen die net als zij ook beeldend kunstenaar zijn, en die zich van kaders en grenzen – wat voor kaders en grenzen dan ook – weinig aantrekken.

Net als Hofman en Van Leeuwen heeft Blees een heel vrije manier van denken, maar weet ze nochtans heel goed wat ze doet, welke lijnen ze uitzet, welke verwachtingen ze wekt. Zij kan dankzij het wisselperspectief inzoomen, uitzoomen, verstoppen en onthullen. Het is een spel, geladen met onverwachte spanning: de roman geeft een heel sterk ‘wat nu weer’-gevoel, in gunstige zin. Je kijkt steeds verbaasd op. De vertelvorm is even wennen, maar de beklemming wint het van de bevreemding.

Du moment dat het hinderlijk zou kunnen worden, of overkomt als een truc, vangt een hoofdstuk aldus aan: ‘Wij zijn het verhaal. Langzaam en voorspelbaar stevenen wij op onze afloop af – de climax, of de anticlimax, dat valt nog te bezien. Wij vermoeden dat het een anticlimax wordt, als de schrijver zo door blijft gaan. We snakken naar een zetje in de rug, een onverwachte wending, een nieuw personage dat dingen weet die al het vorige in een ander daglicht plaatsen’. Hierop volgt een opsomming van wat er zou kunnen volgen. Dit is heel grappig en aanstekelijk – ik ging mee zitten verzinnen. Flauw wordt het gelukkig niet.

Wij zijn licht is een collageroman. Stukje voor stukje puzzel je zelf het verhaal bij elkaar: er waren eens vier mensen die, onder leiding van een van hen (en geïnspireerd door buitenlandse voorbeelden), stopten met eten. Elk van de groepsleden had zo zijn eigen redenen om daarvoor te kiezen. Hun voorgeschiedenis wordt onthuld, de keuze inzichtelijk gemaakt. Blees verklaart spelenderwijs veel, maar houdt het gepsychologiseer binnen de perken. Bij elke aangereikte verklaring blijft de mogelijkheid open dat het niet klopt, slechts een zienswijze is.

Verbazend voorstelbaar

Ontroeren doet Wij zijn licht, naast amuseren, zeker ook. Ook dat bereikt Blees op onverwachte momenten middels de vertelperspectieven. Het wordt allemaal verbazend voorstelbaar: de sapcentrifuge die hunkert naar een steelse aai, de sigaretten die zo graag opgestoken willen worden (het zou wel kunnen dat dit je alleen raakt als je een ex-roker bent). Het allerontroerendst is het hoofdstuk vanuit het lijk van Elisabeth. Het dode lichaam op de schouwtafel wordt aandachtig bekeken, van buiten én van binnen. Bij leven was er nooit iemand zo geïnteresseerd in haar.

De bijzondere vorm van de roman is er niet zomaar. Eén ding komt bij alle personages overeen, hoe divers hun achtergrond ook is. Hun liefste wens is het, een ‘wij’ te zijn, niet langer alleen, niet langer verantwoordelijk voor puur het eigen hachje. Erbij horen is het hoogste goed. Een ‘wij’ te zijn, het lekker samen helemaal eens, veilig geborgen tegen de rest. Niet bang meer hoeven zijn: het afwijzen van voedsel, basisbehoefte van al wat leeft, voelt voor de commune als een overwinning op ziekte en dood. Dood is trouwens ook niet dood, in hun optiek. Dood bestaat alleen als transformatie. De gestorven Elisabeth is nog onder hen, menen ze. Gewoon, maar dan anders.

Wij zijn licht is een nieuwe ‘De nieuwe kleren van de keizer’, het sprookje van Andersen. Het gaat over groepsdwang en geloof. Over de wil het eens te zijn met, en niet onder te doen voor, de ander. De voorwerpen die stuk voor stuk aan het woord komen, weten precies waarvoor ze dienen. Maar de mensen weten het niet. Wat is hun betekenis, en wat hun bestemming? Zij zoeken naar een vorm, een functie. De communeleden in de roman denken dat niet eten hen helpt. Dat is laakbaar, en knots bovendien, maar dankzij Blees toch een beetje voorstelbaar geworden.