Necrologie

Ze hield zielsveel van zuivere wiskunde

Aida Beatrijs Paalman-de Miranda (1936-2020) | Wiskundige Als student was ze de enige vrouw op de wiskundefaculteit. Als hoogleraar wijdde ze vele studenten in in de zuivere wiskunde.

Ietje Paalman-de Miranda promoveerde op 23 september 1964 cum laude. Aan weerszijden haar paranimfen: Hugo Brandt Corstius (rechts) en haar echtgenoot.
Ietje Paalman-de Miranda promoveerde op 23 september 1964 cum laude. Aan weerszijden haar paranimfen: Hugo Brandt Corstius (rechts) en haar echtgenoot. Beeld Allard Pierson, Universiteit van Amsterdam

„Ik geloof zeker niet dat een jongen intelligenter is dan een meisje.” Begin jaren zeventig interviewden twee wiskundestudenten lector Aida Beatrijs (Ietje) Paalman-de Miranda. Hoe komt het dat er amper meisjes wiskunde studeren, was hun vraag. „De voornaamste reden is volgens mij ons cultuurpatroon”, was haar antwoord. Veel woorden werden verder niet aan de kwestie besteed.

Zo was Paalman-de Miranda, zeggen studenten die college van haar hebben gehad. Zij was allereerst een wiskundige die zielsveel hield van haar vak, de zuivere wiskunde, en daarbinnen van de topologie en de verzamelingenleer. Die behoren tot de moeilijkste vakken in de wiskunde, zegt oud-student Dirk-Jan Schenk. Ze zijn ook heel abstract., maar Paalman-de Miranda maakte ze „met huis-tuin-en-keukenvoorbeelden zoals taarten” voor haar studenten inzichtelijk en begrijpelijk. Ze hield van lesgeven, zegt Schenk, en ze was er heel goed in – iets dat, zegt hij, bij wiskundigen niet altijd vanzelfsprekend is.

Schenk kende Paalman-de Miranda al vanaf dat hij een klein jongetje was. Zijn tante, Judith van Witsen, was secretaresse bij de wiskundefaculteit van de Universiteit van Amsterdam en hecht met haar bevriend. Hij herinnert zich Paalman-de Miranda als ontzettend aardig en iemand die zich nergens op liet voorstaan. Misschien komt het door dat laatste dat hij zich nooit gerealiseerd heeft hoe bijzonder het was: Paalman-de Miranda werd in 1980 niet alleen de eerste vrouwelijke hoogleraar wiskunde in Amsterdam, maar was ook uit Suriname overgekomen om in Amsterdam te gaan studeren.

Buitenbeentjes

Hoe kwam een meisje van 17 uit Paramaribo ertoe om zich in Amsterdam op de wiskunde te storten? In een gesprek met Liesbeth Koenen, de biograaf van Hugo Brandt Corstius (die met Paalman en Schenks tante een hecht „driemanschap” vormde) vertelde ze enkel dat ze zich bij de Amsterdamse wiskundigen meteen als „een vis in het water” had gevoeld. Toch illustreert haar karakterisering van haar vriendschap met Brandt Corstius ook haar bijzondere positie: „wij waren allebei een beetje buitenbeentjes”. Brandt Corstius omdat hij niet helemaal „een echte wiskundige” was en Paalman-de Miranda… Ze liep niet alleen als enige vrouw bij de wiskundefaculteit rond, maar was jong, kwam uit Suriname en voelde zich wat geïntimideerd door de „de upper class” studenten van de Amsterdamse Vrouwelijke Studenten Vereniging waarvan ze direct lid geworden was: „ik kende niemand natuurlijk”.

Hoe kwam een meisje van 17 uit Paramaribo ertoe om zich in Amsterdam op de wiskunde te storten?

Bij de wiskundigen was het anders. Daar telde vooral of je goed was in het vak. En dat was Paalman. Brandt Corstius noemde haar „veel knapper dan ik”. Toen ze een uur na elkaar afstudeerden, op 23 november 1960, had hij al voorspeld dat Paalman-de Miranda dat cum laude zou doen. De bekende topoloog Johannes de Groot, bij wie ze aansluitend zou promoveren, regelde daarna dat Paalman-de Miranda anders dan gebruikelijk drie maanden vakantie kon opnemen. Zo kon ze Suriname bezoeken voordat ze aan een promotieonderzoek begon bij het Mathematisch Centrum in Amsterdam – bij De Groot die daar de afdeling zuivere wiskunde leidde en één van de toonaangevendste wiskundigen van Nederland was. Die „zalige tijd” sloot Paalman-de Miranda in 1964 af met een doctoraat, alweer cum laude.

Ze was intussen getrouwd met dr. Dolf Paalman, vele jaren hoofdapotheker in het Slotervaartziekenhuis. Medici vormen een ander slag mensen dan wiskundigen, zei ze later tegen Brandt-Corstius-biograaf Koenen. Wiskundigen staan veel minder „met beide benen op de grond”, omdat hun hoofd bij de wiskunde vertoeft. Maar vooral vond zij wiskundigen „altijd ontzettend aardig”; ze „zaten niet met status”, „geld kon ze niet schelen”, kortom, „heel leuke mensen eigenlijk”.

Met haar bescheiden vriendelijkheid en briljante verstand paste Paalman-de Miranda daar als vanzelfsprekend bij. Nadat ze in 1966 van een dochter was bevallen, vroeg De Groot haar tijdens zijn kraamvisite om lector te worden. In 1980 werd ze hoogleraar zuivere wiskunde: „Als ik aan een probleem werk dat me boeit, ben ik er vaak dag en nacht mee bezig”, zei ze zelf. Daarnaast herinneren generaties studenten haar als de vrouw die hen in de zuivere wiskunde inwijdde – met een vrolijk en open oog voor de rest van de wereld. Paalman-de Miranda laat een zoon en een dochter en drie kleinkinderen achter.