Voor landen met weinig corona kan de wereld sneller van het slot

Coronacorridors Landen met weinig besmettingen of die elkaars corona-aanpak vertrouwen, overwegen hun grenzen voor elkaar te openen. Kunnen ‘reisbubbels’ en corridors de wereld heropenen?

Van en naar de Letse hoofdstad Riga kan weer meer gevlogen nu de drie Baltische staten een ‘reisbubbel’ hebben opgetuigd tussen hun goeddeels virusvrije landen.
Van en naar de Letse hoofdstad Riga kan weer meer gevlogen nu de drie Baltische staten een ‘reisbubbel’ hebben opgetuigd tussen hun goeddeels virusvrije landen. Foto INTS KALNINS/Reuters

Nu na twee maanden enkele grenzen en luchtruimen voorzichtig weer opengaan, tekent zich wereldwijd een nieuw interessant spel af. Landen die het coronavirus relatief goed onder controle hielden, proberen daarvan te profiteren. Met hun mooie coronacijfers vijzelen ze hun imago in de buitenwereld op, pogen ze hun toerismesector sneller te reanimeren én meer reisopties voor de eigen bevolking te regelen.

Verschillende landen spelen met het idee om elkaars staatsburgers of ingezetenen toe te laten, omdat ze beide (relatief) virusvrij zijn of elkaars aanpak vertrouwen. Zo ontstaan corridors waarbinnen vrij reizen weer mogelijk wordt. Tussen de drie Baltische staten is zo’n regeling sinds 15 mei van kracht. Esten, Letten en Litouwers kunnen in deze bubbel elkaars landen bezoeken zonder na aankomst eerst twee weken in quarantaine te hoeven. Voor niet-Balten geldt die verplichting wel.

In meer werelddelen ontstaan zulke reiszones. China en Zuid-Korea hebben een ‘fast track’-route voor zakenreizigers ingesteld. Australië en Nieuw-Zeeland overwegen een Trans-Tasmaanse corridor. In Midden-Europa spreken Tsjechië, Slowakije en Kroatië er over.

De Britse premier Johnson en Franse president Macron hebben afgesproken dat reizigers tussen elkaars landen niet in preventieve quarantaine hoeven. Met buurland Spanje kon Macron zo’n pact niet sluiten: Madrid wil dat elke reiziger van buiten eerst in isolatie gaat. Boos stelde Parijs die eis dus ook aan Spanjaarden.

En het dunbevolkte IJsland gaat ook weer open voor buitenlandse toeristen. Wie zich bij aankomst op de luchthaven van Reykjavik laat testen en negatief blijkt, hoeft niet eerst verplicht twee weken in quarantaine. Het eiland kan zo uitgroeien tot strategisch gelegen ontmoetingsplek voor continentale Europeanen en Amerikanen die niet bij elkaar in hun eigen land op bezoek kunnen.

Brug opgehaald, poort dicht

Door de moderne hyperglobalisering kon het virus zich sinds eind 2019 razendsnel over de wereld verspreiden. En toen half maart mondiaal pandemiepaniek uitbrak, haalde elk land in een bijna middeleeuwse reflex de brug op en sloot de poort.

Een dagelijks geactualiseerde wereldkaart die luchtvaartautoriteit IATA bijhoudt, leert dat twee maanden later nagenoeg elk land nog strenge beperkingen op inkomende vluchten hanteert. (Alleen Mexico en het Verenigde Koninkrijk zijn open voor vluchten uit elk willekeurig land.)

Het aantal luchtreizen is navenant gekelderd. In heel 2019 maakte de wereld 4,6 miljard vliegreizen. In april was dit gekelderd tot 47 miljoen, een niveau vergelijkbaar met dat van eind jaren 70.

Ook veel landsgrenzen zijn dicht. Zelfs binnen Europa, waar de Schengenzone normaal vrij verkeer van personen garandeert. Een overzicht van de Europese Commissie van alle reisbeperkingen leest als een doolhof van nationale noodverordeningen, waarbij elk land voor zichzelf bepaalt voor wie de poort op een kiertje gaat.

De wereld blijft zo voorlopig goeddeels op slot, maar er ontstaan wel eerste sluiproutes. De volgende uitdaging is deze veilig uit te breiden tot grotere, continentale netwerken.

Zich baserend op landen met een vergelijkbaar infectieniveau denkt het Britse weekblad The Economist dat er zeker twee zijn op te tuigen. Een Aziatisch-Pacifische zone, met onder meer China, landen in Zuidoost-Azië en Australië. En een Europese variant, die vanaf Scandinavië (minus Zweden), via de Baltische landen, Duitsland en Midden-Europa tot de Balkan voert.

Tijdswinst voor kleine landen

Vóór deze pandemie waren epidemiologen niet erg overtuigd van het nut van grenssluitingen. In haar in 2005 – lees: na de SARS-uitbraak van 2003 – geactualiseerde richtlijnen stelt de Wereldgezondheidsorganisatie WHO bijvoorbeeld „dat maatregelen aangaande internationaal reizen niet ingrijpender mogen zijn [...] dan redelijkerwijs beschikbare alternatieven die de gezondheid ook beschermen”. Landen die van deze regel afwijken, moeten dit officieel aan de WHO kunnen uitleggen.

Lees ook: We hebben een ramp kunnen voorkomen

Toch hebben veel landen met de grenssluitingen ernstigere uitbraken voorkomen, of in ieder geval tijd gewonnen. Het opsporen en doorbreken van besmettingsketens gaat makkelijker als er niet de hele tijd nieuwe mensen een land binnenkomen. Een klein land als Suriname (600.000 inwoners) kon zo alle tien coronagevallen traceren en isoleren voordat zij meer mensen besmetten.

Ook bijvoorbeeld Cuba zit sinds maart potdicht. Als centraal geleide politiestaat is het van oudsher uitstekend voorbereid op natuurrampen als orkanen: de bevolking volgt bevelen trouw op. Vergeleken met andere Latijns-Amerikaanse landen hield Cuba het virus ook goed onder controle. Tegelijkertijd landen er al twee maanden geen vakantievluchten en is de cruiseterminal van Havana uitgestorven – en dat terwijl toerisme al jaren de kurk is waarop de fragiele economie nog enigszins bleef drijven.

Hoe weer veilig open?

Het roept de vraag op óf en hoelang grenssluitingen nog nodig zijn, nu het virus ‘losgebroken’ is met wereldwijd zeker 5 miljoen gevallen.

De vooraanstaande Amerikaanse epidemioloog Marc Lipsitch (verbonden aan Harvard) zei half mei op radiozender NPR dat de grenssluitingen vooral voor kleinere landen en eilanden nuttig kunnen zijn. „Het laatste wat je wil is een lading gevallen binnenkrijgen waarop je niet kan reageren, omdat ze niet gelinkt zijn aan lokale contacten.” In dat geval, stelt hij, „is het misschien beter om je toerisme-industrie te laten lijden in plaats van de economie langdurig te moeten ontregelen met sociale onthouding.”

Veel minder nut heeft het volgens Lipsitch dat grotere, zwaar besmette landen zich afsluiten, zoals de Verenigde Staten doen. De regering-Trump weert nog zeker tot in juni reizigers uit Iran, China en Europa en ook uit buurlanden Mexico en Canada. Tegelijkertijd is het land de afgelopen twee maanden zelf uitgegroeid tot de omvangrijkste brandhaard, met ruim 1,5 miljoen vastgestelde besmettingen.

„Het is voor de VS echt totaal ongepast om te zeggen dat we het virus in ons land nog kunnen uitroeien en de grenzen moeten sluiten om het buiten te houden”, stelde Nathan Grubaugh, epidemioloog aan Yale University, eveneens op NPR. Zeker aangezien binnenlandse vluchten nimmer zijn stilgelegd, zelfs niet vanuit een grote brandhaard als New York en omgeving. „Het virus kan inmiddels op zo veel plekken aangetroffen worden.”

Nationalistische reflex

Evenwel blijft de nationalistische reflex om grenzen te sluiten in veel landen sterk. Corridors tussen brandhaarden – onder het mom ‘we zijn beide toch al besmet’ – dienen zich voorlopig niet aan. Zo liet de Amerikaanse president Trump dinsdag weten dat hij overweegt voorlopig geen reizigers uit Brazilië toe te laten.

Dat land wordt weliswaar geleid door een ideologische geestverwant van hem, maar het staat ook op plek 3 van sterkst geraakte landen – na Rusland (plek 2) en de VS zelf (1). Trump: „Ik wil niet dat die mensen [uit Brazilië, red.] hier komen en onze mensen infecteren. En ik wil ook niet dat hun mensen ziek worden.”