Opinie

Leven en dood

Marcel van Roosmalen

Het zal de invloed van het platteland zijn, maar ‘de dood’ is in ons huishouden inmiddels heel normaal. De vriendin was met onze dochters (3 en 4) naar de boerderij gefietst waar we tegenwoordig altijd naartoe fietsen als ze beesten willen zien, want de kinderboerderij is wegens corona tot nader order gesloten.

„We hebben een kalf gezien!”, deed de jongste op plechtige toon verslag. Haar stem vloog van opwinding een paar octaven omhoog: „Hij was gestorven.”

De boer had het kadaver in een kruiwagen gelegd, ze hadden er wel een kwartier naar gekeken.

„Ze gaan hem begraven”, zei de oudste.

Aan haar stem was te horen dat ze het jammer vond dat ze daar niet bij kon zijn.

„Wanneer ga jij eigenlijk dood?”, vroeg ze aan mij.

„Dat weet ik niet kind”, antwoordde ik, „van het concert des levens krijgt niemand een program.”

Ze zouden me in de zandbak en anders onder het grint begraven, ze verheugden zich er enorm op.

De laatste dagen kwam de dood steeds dichterbij.

Het begon met een muisje in de ontbijtlade. Ik hield Jozef, onze zwarte kater, boven het kleine bibberende beestje dat klem zat tussen een blik cruesli en een pak rijst, in de hoop dat het iets in hem zou losmaken. Dat gebeurde.

Tot afgrijzen van de kinderen legde hij een half uur later het muisje voor mijn voeten.

De afkeer maakte al snel plaats voor opwinding.

Gisteren zaten ze op hun knieën onder de boom te kijken hoe Jozef speelde met een vogeltje. „Nu is zijn hoofd eraf”, concludeerde de oudste.

De jongste: „Dat duurde lang.”

Daarna werd het diertje met een schepje in de blauwe emmer gedaan, waarmee ze gillend door de tuin liepen. Er werd gehuild toen ik het stoffelijk overschot afpakte en in de biobak kieperde.

„Lijken zijn geen speelgoed”, zei ik.

Vanmorgen bij het ontbijt besprong Jozef een ekster, die even daarvoor nog met zijn ouders (?) op het gras zat. De vriendin sloeg de hand voor de mond. Ze stond op van haar stoel om in te grijpen.

„Laat de natuur z’n werk doen”, hoorde ik mezelf zeggen. „Het dier is al gewond.”

De dochters sloegen van opwinding tegen het glas.

„Ik vind het leuk, spannend en zielig”, vatte de oudste alles samen.

Meteen daarna belde mijn zus om over mijn moeder te praten. Ik liep met de telefoon in de hand de tuin in. Ik wilde niet dat de kinderen zich te veel gingen verheugen.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.