Opinie

De lunch was bijna feestelijk zo normaal. Maar het was niet normaal

Dagboek Coronavirus

De zon scheen en de ober van Caffè Latino onder ons huis droeg een T-shirt met de tekst ‘Cosa vuoi di più dalla vita?’

„Dit is echt waardeloos werken zo”, zei hij. Hij ging zijn terras te lijf met een plantenspuit van industriële proporties. Alle tafeltjes en alle stoelen stonken naar ziekenhuis. „Geen menukaarten, olie en azijn in zakjes, als jullie naar de wc moeten, één voor één en mondkapje verplicht, idem straks bij het afrekenen. Vragen? Geen vragen. Wat mag het zijn?”

Stella bestelde een salade niçoise, ik nam paccheri alla Norma. Het was onze eerste lunch buiten sinds maanden. Stella had zich erop gekleed met extravagante sneeuwluipaard- en zebraprints. Ze droeg precies de juiste zonnebril voor een met zorg bereide maaltijdsalade tegen het decor van eeuwenoude gevels.

Zij las mij een nieuwsbericht voor uit Il Secolo XIX over de achterstanden bij de overheid in de uitbetaling van de cassa integrazione. Nog maar een kwart van alle aanvragen is in behandeling genomen.

„Dus als ik het goed begrijp”, zei ze, „zijn er alleen al in Ligurië vijftigduizend personen die al twee maanden zonder inkomen zitten.”

„Zoals jij.”

„Ik heb jou. Dat kan niet iedereen zeggen.”

„Nee, dat kan niet iedereen zeggen.”

De lunch was bijna feestelijk zo normaal. Maar het was niet normaal. Ik zag de hele tijd kleine foutjes bij de mensen om mij heen, zoals een schouderklopje in het voorbijgaan met de beste bedoelingen uitgedeeld of iemand die een stoel vastpakte, zich bedacht en ergens anders ging zitten. Ik zag gevaren als een naderende rozenverkoper, die op het nippertje werd gestuit. Het virus heeft onze gedachten besmet. Iedereen doet weer braaf zijn best om te consumeren, omdat dat het hoogste goed is, maar we dragen de gevangenis nog steeds met ons mee in ons hoofd.

Schrijver Ilja Leonard Pfeijffer woont in Genua. Op deze plek schrijft hij over de impact die het coronavirus heeft op het leven daar.