Daniel Reuss: „Wanneer ik later groot ben, en gepensioneerd, zie ik mezelf wel op een eenzaam eiland met de verzamelde motetten van Orlando di Lasso.”

Foto Roger Cremers

Interview

Daniel Reuss: ‘Orlando di Lasso spreekt nog steeds tot ons’

Interview | Daniel Reuss Vier eeuwen oude muziek die gaat over de vragen van nu: de late motetten van Orlando di Lasso zijn verbazend eigentijds. Dirigent Daniel Reuss nam ze op met zijn Cappella Amsterdam.

„Alles heeft zijn tijd”, zingt Cappella Amsterdam als eerste zin. Omnia tempus habent. Prediker schreef de woorden nog voor het begin van onze jaartelling in het naar ‘hem’ vernoemde bijbelboek. Er bestaat onder meer, somt hij op, „een tijd om te omhelzen en een tijd om af te weren”. Ook vóór Christus werd over social distancing gesproken.

De tijdloze wijsheid van Prediker en andere geschriften vormen een rode draad in de late gezangen van de 16de-eeuwse componist Orlando di Lasso. Verbazend hedendaags en levend weerklinken die liederen in handen van dirigent Daniel Reuss (58) en zijn koor Cappella Amsterdam op hun nieuwe album Inferno.

„Deze muziek spreekt nog steeds tot ons”, zegt Reuss. „Want alle goede kunst blijft eigentijds. De mens bezit dan wel meer kennis dan vroeger, maar we zijn niet wijzer geworden. Het hart van dit album is het bekende gregoriaanse vers Media vita in morte sumus, wat betekent: midden in het leven zijn wij door de dood omgeven. Die woorden werden gedurende die andere pandemie, de pest, veel gezongen. Andere tijd maar dezelfde sentimenten. Grote kunstenaars – als Lasso – belichten gevoelens, gedachten en vragen, die voor het hier en nu van waarde blijven, over hoe wij omgaan met ziekte en dood bijvoorbeeld.”

De mens bezit dan wel meer kennis dan vroeger, maar we zijn niet wijzer geworden

Daniel Reuss dirigent van Cappella Amsterdam

Tijdgenoten noemden Lasso „de vorst der muziek, de meer dan goddelijke Orlando”. In zijn latere jaren kwelden heimwee en melancholie de componist. Sommigen vermoeden dat hij toen leed aan een vorm van dementie. „In een brief schrijft zijn vrouw dat hij haar op een dag bij thuiskomst niet herkent”, vertelt Reuss.

„In deze late motetten trekt Lasso zich terug in zijn binnenste. Brahms deed hetzelfde aan het slot van zijn leven. Voor drie van zijn vier Ernste Gesänge vond hij ook inspiratie in de Prediker-verzen waaraan Lasso zich vasthoudt: nuchtere bespiegelingen over vergankelijkheid en de tegenstellingen van het bestaan – baren en sterven, breken en bouwen, huilen en lachen, zoeken en verliezen, ontvlammen en verkillen, bewaren en weggooien, scheuren en herstellen, zwijgen en spreken, liefhebben en haten. En uiteindelijk de vraag: wat brengen we tot stand met al ons gezwoeg? In het aangezicht van de dood dalen Brahms en Lasso af in de onderwereld, in hun eigen diepten, en zoeken daar iets van betekenis wat ze ons kunnen nalaten.”

Al rond zijn zeventiende viel Reuss voor de muziek van Lasso, een tijd waarin hij ook besloot om koordirigent te worden. Barend Schuurman, de cantor van de Rotterdamse Laurenskerk, werd zijn leermeester. „Ik was jong. Het leven raasde alle kanten op. Hij zag het, bleef in me geloven, wachtte geduldig en redde me ten slotte van de chaos.” Reden voor Reuss om het nieuwe album op te dragen aan de vorig jaar overleden Schuurman.

Lees ook de recensie van de laatste concertserie van Cappella Amsterdam voor de coronacrisis: NKK en Cappella Amsterdam bewijzen behoefte aan twee topkoren

„Voor Barend was Bachs Matthäus-Passion mislukt als een solist na afloop zei: ‘Dat ging lekker.’ Zo’n stuk moest weerbarstig en scherp blijven, aanzetten tot zoeken naar een diepere laag, een volgende vraag. Hij toonde me een weg die nooit doodloopt, waarop ik mijn hele leven kan voortgaan. Cappella zou dit voorjaar de Matthäus zingen. Dat werk heb ik talloze keren gedirigeerd, toch ben ik zo’n acht maanden allerlei bibliotheken ingedoken – geen internet maar gewoon boeken – om nog dichter bij de muziek te komen. Tegenwoordig gaat het vaak om: wat is het antwoord op deze vraag? Zulke pasklare oplossingen, daar geloof ik niet in. Het gaat om het verbreden van de vraag.”

Ter illustratie citeert Reuss de Amerikaanse dichter Emily Dickinson:

A word is dead/ When it is said,/ Some say./ I say it just/ Begins to live/ That day.

„Dat principe vind je ook in de Joodse Talmoed: een discussie is nooit gesloten, want dan sterft zij. Teksten, muziek, kunst, het leven: ze moeten steeds opnieuw bekeken worden, we moeten hun betekenis blijven bevragen. Werken van grote componisten, zoals Lasso, kun je elke twee maanden bestuderen en uitvoeren, want ze blijven nieuw, je kunt er eindeloos in afdalen en opstijgen. En andere stukken stof je af en poets je op, en dat is het dan.”

In het hoofd

Zijn liefde voor Lasso zal nooit doven, zegt Reuss. „Wanneer ik later groot ben, en gepensioneerd, zie ik mezelf wel op een eenzaam eiland met zijn verzamelde motetten. En stiekem de late Stravinsky. Dan kom ik mijn tijd wel door.” Dat hij daar geen koor bij de hand heeft, deert hem niet. „Muziek kan ik beluisteren in mijn verbeelding, dat is in deze tijd ook mijn redding. Soms is het zelfs mooier. Want goede stukken zijn zo rijk aan schoonheid en betekenis, dat je nooit alles kunt tonen. Ze omvatten de hele wereld. Bij uitvoeringen kunnen we er als musici steeds maar een paar zaken uitlichten. Maar in de klankkamer van mijn hoofd daarentegen is alles hoorbaar.”

Het album Inferno met motetten van Orlando di Lasso door Cappella Amsterdam o.l.v. Daniel Reuss verscheen op 20 mei bij het label Harmonia Mundi. Inl: cappellaamsterdam.nl