‘Als de wind waait buig je, en dan ga je weer rechtop staan’

Dit ben ik Iedereen heeft verschillende identiteiten. Hoe worden we wie we zijn? Deze week: kinder- en jeugdpsychiater Winston Leeflang (52) uit Vleuten, zoon van een Surinaamse ex-minister.

Dieuwertje Bravenboer

‘Wie is je vader, wie is je moeder, zegt men in Suriname. Mijn vader is advocaat. Hij is minister geweest van Binnenlandse Zaken en Justitie, hij was zakenman. Mijn moeder zat in het onderwijs. In Suriname zijn wij een grote, bekende familie. Je groeit op met een zekere status. Op mijn vijftiende gingen we naar Brussel, mijn vader werd ambassadeur.

„Je idealiseert je vader. Als kind hoor je: jij wordt zoals hij. Ik zou ook ‘meester Leeflang’ worden, ik heb me zelfs ingeschreven voor rechten. Maar ik vond het niet zo leuk. Geneeskunde vond ik geweldig. Ik was net aan de studie begonnen, in Suriname, toen de vliegramp bij Zanderij kwam. Als studenten moesten wij de lijken bergen. Met een pick-up naar de luchthaven, formaline inspuiten, zeker drie weken ging dat door. Een paar hebben er PTSS aan overgehouden. Kort daarna was er een staking waarbij de universiteit werd bezet. Ik dacht: wat doe ik hier. Ik ging naar Nederland. Aan de Erasmus Universiteit ben ik opnieuw begonnen.

„In Nederland heb ik als Surinamer geen tegenwerking ondervonden. Nederlanders zijn handelaars. Als ze je nodig hebben, gaan ze je gebruiken. Een mede-student met dezelfde achtergrond, KNO-arts, gaf als tip: niet te veel lawaai maken. De filosofie van de riethalm. Als de wind waait buig je, en dan ga je weer rechtop staan. Als je op het standpunt staat dat je ergens récht op hebt, hebben ze niets aan je. Je moet gewoon: doen. Manoeuvreren.

‘Wij zijn voor het grootste deel Nigeriaans. Dat is fijn om te weten, een stukje identiteit. Ik ben Surinaams, voel me Surinaams, maar als ik niet praat en je ziet me zitten ben ik een Afrikaan’

‘Bijna vijf jaar was ik de enige kinder- en jeugdpsychiater op Aruba. Daar leer je veel van. Alles krijg je: eetstoornissen, zwakzinnigheid, autisme. Op den duur ken je het eiland, de jetset, kom je mensen overal weer tegen. Ik zou vijftig worden en dacht: als ik nu niet naar Suriname ga, ga ik daar nooit meer werken. Ben je zo drie uur verder.

„In Suriname is trauma. Door de oorlog, de Decembermoorden. Het is ingewikkeld. Ik ben opgehouden aan een kant te moeten staan. Soms hoor ik jongeren praten die niet snappen wat de Decembermoorden hebben betekend. Wij voelen het wel, die van die tijd zijn. Voor mij is het altijd: pijn. Ik ken kinderen die hun vader hebben verloren. Het houdt nog niet op, het zal generaties duren.

„Ik had een mooi plan. Ik zou een praktijk opzetten in Paramaribo en op en neer gaan naar een district waar veel trauma is. Maar het was te onduidelijk hoe dat geregeld kon worden. Het kwam erop neer dat ik eerst maar moest komen. Daar heb ik voor bedankt. Wachten, bellen, wachten, ik weet hoe het gaat. Een beetje boos was ik. Suriname heeft zeker een kinder- en jeugdpsychiater nodig. Ik dacht: regel het goed en ik schrijf me in. Maar oké, dan niet. Dan gaan we terug naar Nederland.

„Suriname blijft altijd mijn land. Mijn familie heeft er een lange geschiedenis. Ik heb genetisch onderzoek gedaan: wij zijn voor het grootste deel Nigeriaans. Dat is fijn om te weten, een stukje identiteit. Ik ben Surinaams, voel me Surinaams, maar als ik niet praat en je ziet me zitten ben ik een Afrikaan. Na de afschaffing van de slavernij kreeg de grootmoeder van mijn grootvader de naam Leeflang. Zij was een oude vrouw voor die tijd. En ze had een bijzondere positie: als creolenmoeder. Zij moest de kinderen van de slaven opvoeden. Zo is onze geschiedenis begonnen.

„Bij familie is er altijd de hoop dat je terugkomt. Mijn vader heeft nogal wat daar. Een hotel, bedrijfspanden. Ik kom uit een gezin van zeven, hij is 84. Wij moeten dat overnemen, verder met wat hij heeft. Het dilemma is: laat je het anderen doen of stap je er zelf in.

‘Na mijn scheiding wilde de moeder van mijn twee oudste zoons naar Suriname. Ik zei: ik hou de kinderen wel. Ik ben haar dankbaar dat ik ze heb kunnen houden. Het is natuurlijk jammer dat ze hun moeder moesten missen. Maar ik kon vader zijn, stevige mannen in de maatschappij brengen. Ik vind het belangrijk dat mijn kinderen de levenslessen krijgen. Hetzelfde probeer ik met mijn cliënten. Jonge delinquenten krijgen straks ook weer kinderen. Je moet een blauwdruk hebben van hoe je vader moet zijn, die hebben ze vaak niet. Na een tijdje gaan die jongens zich kleden zoals jij. Ze nemen jou als model. Daar moet ik om lachen. Maar het zegt iets, dat ze dat nodig hebben.

Don’t take things for granted, zeg ik hun. Je moet werken om iets voor elkaar te krijgen. Het komt niet zó. Je hebt één leven, daar moet je het mee doen. Dan moet je niet te veel brokken maken.”

Aanmeldingen voor deze rubriek: ditbenik@nrc.nl