Opinie

Maliën

Ellen Deckwitz

‘Jeetje, wat zie jij eruit, alsof je in een kuip chloorbleek hebt gelegen!”, riep mijn zus toen ik gisteren op haar stoep stond. „Ik slaap zo slecht door al die coronahorror”, kreunde ik, „ik ben bang geworden voor mijn eigen slaapkamer. Mijn bed is niet meer de plek waar ik uitrust, maar de pijnbank waarop ik wakker lig.”

„Oh, maar dan heb ik iets voor je”, zei ze en stoof haar huis in. Voor het eerst in mijn leven was ik blij dat ik er zo belabberd uitzag. Mijn zus slaapt zelf ook regelmatig beroerd en heeft daardoor een flinke thuisapotheek. Kwaliteitsvaleriaan, vaten melatonine, een heel alfabet aan pammetjes, je kan het zo gek niet bedenken of het ligt wel in haar medicijnkastje. Ik rekende op een emmer vol slaapfacilitatie maar in plaats daarvan kwam ze aanzetten met een enorme glinsterende lap die uit talloze metalen ringetjes bestond.

„Wat is dit, een maliënkolder?”, vroeg ik nors.

„Een maliëndeken!”, juichte ze.

„Wat heb je daar nou aan?”

„Weet je nog dat ik als kind, wanneer ik slecht sliep, allemaal dekens en kussens op me wilde hebben? Door dat extra gewicht kon ik makkelijker ontspannen. Toen ik net studeerde en de slapeloosheid weer begon, liet ik een studiegenoot, die voor van die middeleeuwse festivals wapenuitrustingen vervaardigde, een deken van maliënkolders maken. Als slaappillen niet meer goed helpen, gebruik ik deze!”

Dat klonk hoopgevend, dus ik laadde het loodzware gevaarte in mijn fietskrat en ging naar huis. Baat het niet dan schaadt het niet, dacht ik.

Die avond spreidde ik het gevaarte over mijn dekens en kroop eronder. De druk was groter dan ik had verwacht. Oh jee, dacht ik meteen, straks plet het me, kan ik niet meer ademhalen. Wat onrustig probeerde ik te verliggen, maar dat ging lastig met al dat metaal boven me.

De maliënlap duwde me dieper in mijn matras. Ik merkte nu pas hoezeer ik mezelf al die avonden voor het slapengaan schrap had gezet, uit vrees voor het wakker liggen. Het gewicht voelde als een bevel. Alsof iets dat groter was dan ik zei: genoeg voor vandaag, nu slapen, woelen heeft geen zin, je kan geen kant meer op. Een grote hand die alle verzet uit me drukte.

Langzaam verdween mijn weerstand. Spieren ontspanden onder de kilo’s. De behoefte om op de vlucht te slaan voor alle zorgen werd uitgewist door de zwaartekracht. Mijn hoofd werd loom, en vlak voor ik wegzonk dacht ik nog hoe geweldig het is om je gewoon te laten wegdrukken door iets groters, zodat je tenminste niet meer wakker ligt van het vermóéden te worden verpletterd.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.