Opinie

Strafrechtspleging dreigt vast te lopen, maar kabinet zwijgt

Rechtsstaat

Commentaar

Zijn de ministers van rechtsbescherming en van justitie met reces? Heeft iemand de voorzitter van het college van procureurs-generaal onlangs nog gezien? Zouden deze verantwoordelijke functionarissen gewezen kunnen worden op de precaire toestand van de strafrechtspleging door de coronacrisis? De achterstand in nog te behandelen strafzaken is van ongeveer 22.000 half maart opgelopen naar 55.000 vorige week. Iedere week wordt de stapel 5.000 dossiers hoger. Althans dat maakte advocaat-generaal Joep Simmelink recent duidelijk op nrc.nl.

Hij vond, niet geheel onbegrijpelijk, dat „voorkomen moet worden dat de strafrechtspleging totaal vastloopt”. Dat staat namelijk te gebeuren. De top van het OM had in maart zoiets ook al gezegd, toen de achterstand nog op 22.000 stond. En niemand nog twee maanden sluiting van alle hoven en rechtbanken voorzag. De stand van de strafrechtspraak is al jaren zorgelijk. Achterstanden zijn endemisch, de magistratuur voelt zich overbelast, de maatschappelijke verwachtingen zijn hoog net als de politieke druk.

Tijdens de lockdown, op 24 april waarschuwde oud-hoofdofficier Johan Bac, directeur van de Reclassering, waar duizenden werkstraffen zijn opgeschort, dat zulke aantallen achterstallige zaken „nooit” ingehaald kunnen worden. Althans niet binnen de wettelijk voorgeschreven redelijke termijn. „Ook al werken we dag en nacht.” De nood is dus hoog, neemt toe en kan dus niet onbekend zijn.

Toch blijft een politiek of bestuurlijk initiatief uit. Ook de Kamer heeft kennelijk z’n gedachten elders. Minister Dekker beloofde vorige week in het Brabants Dagblad dat de achterstanden „zullen worden weggewerkt”. En dat „we niet moeten hebben” dat het OM uitwijkt naar het seponeren van zaken. „Dan duurt het maar wat langer” was zijn bijdrage. Die gedachte zal zeker waarheid worden.

Lees ook: Strafrecht kan ook in crisis snel weer op orde zijn

De rechtspraak is inmiddels bezig om weer zittingen mogelijk te maken. Omdat maar een derde tot de helft van alle zalen landelijk coronaveilig is te maken, zijn de openingstijden van de gerechten verlengd. Of dat het verlies aan zittingscapaciteit goed zal maken wordt ernstig betwijfeld. Maar het laat tenminste zien dat de rechtspraak zich heeft herpakt. Bij de rechtsstatelijke kwaliteit van met name de strafprocessen ‘coronastijl’ kunnen echter vraagtekens worden gezet. Advocaten spreken van een plakband-rechtsstaat, waar verdachten niet meer dan drie kwartier van hun eigen proces per veelal haperende video kunnen meemaken. En waar te weinig en vaak onbeschermd contact is met cliënten. Minister Dekker wuifde voorlopig alle bezwaren weg.

Dringende vragen zijn er genoeg. Zijn er noodinvesteringen beschikbaar, bijvoorbeeld voor meer videolinks? Komen er initiatief-wetsvoorstellen die eenvoudiger procederen mogelijk maken? Is meer strafzaken afhandelen door één rechter in plaats van door drie rechters, een optie? Her en der doen magistraten voorstellen: vaker strafbeschikkingen door het OM, of, controversieel, ‘plea bargaining’ – strafoplegging na onderlinge afspraak, onder controle van de rechter.

Er liggen vele ideeën voor het grijpen om strafrechtspraak te moderniseren. „Dan duurt het maar wat langer”, is dan vooral een armzalig politiek antwoord op een urgente crisis, die om dynamiek en creativiteit vraagt. Nu is het kijken naar een klok die tikt.