Opinie

Knuffelmaatje

Marcel van Roosmalen

Wie werken er eigenlijk bij het RIVM? Ik krijg na alle voorschriften en aanbevelingen steeds meer behoefte aan gezichten. Kan er alsjeblieft een organogram met foto’s worden vrijgegeven? Ik wil weten wie het zijn. Hoe gaat het er daar aan toe in de kantoortuin? Hoe praten ze? Wat doen ze in hun vrije tijd?

Het kan alleen nog maar meevallen.

De humor van het instituut kennen we sinds vorige week, helaas. Na de anderhalvemetersamenleving, de intelligente lockdown en de mondkapjes kwamen de wetenschappers en ambtenaren met een advies voor singles: mensen mochten een ‘seksbuddy’ of ‘knuffelmaatje’ hebben. Overal ophef natuurlijk: de woorden werden snel van de website verwijderd, omdat je ook zou kunnen denken dat je als single juist op zoek moet naar een seksbuddy of knuffelmaatje, terwijl dat natuurlijk niet het geval is. En verder regende het reacties in de categorie ‘humor om te lachen’.

‘Knuffelmaatje’ en ‘seksbuddy’: jongens, wat een lol.

„Er zaten”, aldus een woordvoerder van het RIVM, „best grappige dingen tussen.”

Juist dat ‘best grappige’ beangstigt me.

Mijn vader was ambtenaar, als ik de ogen sluit zit ik weer op z’n verjaardag. Tussen de kaasstengels en ambtelijke taal door hoor ik ze woordgrapjes op Twitter citeren. De grootste lol als Jaap van Dissel knuffelmaatje zegt.

Ik ben bang voor mensen die van zichzelf zeggen dat ze een knuffelmaatje of seksbuddy zijn of hebben. Het RIVM heeft ze dan wel geschrapt, maar ik sta tegenover de groenteboer en zijn vrouw en denk: wat zijn jullie eigenlijk van elkaar?

Knuffelmaatjes, seksbuddies?

De mens die deze woorden heeft geïntroduceerd bij het RIVM moet er gewoon uit, die is niet goed. En als het in samenspraak met anderen is gebeurd, moeten ze er allemaal uit. Van mensen die knuffelmaatje en seksbuddy gewone woorden vinden neem ik niets aan, maar de echte vijanden zijn de mensen die erom moeten lachen.

Die ‘het best wel grappig’ vinden.

Van alles wat het RIVM heeft geadviseerd heeft dit de grootste impact. Ik wil van die woorden af, maar ze reizen met me mee. Volgende week heb ik weer een gesprek bij het tijdelijke verzorgingstehuis van mijn moeder. Er is al geopperd dat de bewoners daar eigenlijk een klankbord moet hebben, een maatje of een buddy om alles mee te verwerken. Ik voel ’m al aankomen, als daar humor van komt word ik gek.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.