De student en de vos

Vanuit de Verenigde Staten schrijft over wat haar opvalt. Vandaag: Alleen studenten zonder thuis mochten op de campus blijven.
Illustratie Eliane Gerrits

Hoog in de gotische toren van de verlaten universiteit van Princeton zit een eenzame student voor het open raam. Hij eet zijn lunch uit een piepschuimbakje. Aan de voet van de toren scharrelt een vos met een lange oranje staart. Begerig kijkt het dier naar boven.

Het tafereel doet me denken aan de fabel van de raaf en de vos van Jean de la Fontaine. „Weledelgeleerde Heer”, hoor ik deze Reynaert naar boven roepen, „wat ziet u er knap uit in uw glanzend zwarte toog. Als u net zo knap kunt spreken als dat u eruitziet, dan zou u de ster van de campus zijn. En dan maar hopen dat de gevleide student per ongeluk zijn kippetje laat vallen.

Nu bijna alle mensen weg zijn, hebben de vossen de universiteit overgenomen. Bij klaarlichte dag schuimen ze het terrein af, over de monumentale trappen en door de versierde poorten. Voorheen kon je, als je geluk had, een enkele vos op de vroege zondagochtend zien rondsluipen. Inmiddels zijn er hele families. Het handjevol overgebleven studenten stuurt elkaar updates over de dieren. De groepsapp houdt bij welke routes ze nemen en wanneer er kleintjes worden geboren. Op een van de foto’s zit een vos pal voor een collegezaal rustig een grondeekhoorn op te peuzelen. Nee, schuw zijn ze allang niet meer.

Het is wel even wennen. Normaal om deze tijd van het jaar is de campus vol feestende studenten. Met hun tentamens achter de rug en de scripties ingeleverd, hebben de opgeluchte seniors nog een paar weken te gaan voor de uitreiking van hun diploma’s. Hiphopmuziek schalt uit de openstaande ramen van de dorms. Een uitgerekt afscheid van elkaar en de studententijd voor het serieuze leven begint.

Maar de studenten moesten halsoverkop weg toen het virus uitbrak. Het bestuur kon de verantwoordelijkheid niet nemen voor hun gezondheid. Een Amerikaanse universiteit is als een cruiseschip op het droge, inclusief de luxueuze gym en het all-you-can-eat buffet. Dag en nacht zit men op elkaars lip.

Alleen het handjevol studenten dat geen thuis had of niet in staat was te reizen, mocht blijven. Je ziet hen als schichtige schimmen over de campus bewegen, vaak nog in pyjamabroek, op weg naar de enige mensa die open is. Mondkapjes verhullen ernstige gezichten. De sombere blik op oneindig. Ze lopen snel, alsof de duivel zelf hen op de hielen zit. Om de beurt mogen ze naar binnen om na een paar minuten weer buiten te staan met een piepschuimdoos. Terug in hun kamer zien ze pas wat er voor hen gekookt is.

Elke dag wandel ik over de akelig stille campus. Ik mis de vrolijkheid, de uitgelaten sfeer van de jeugd. Gebruinde benen op weg naar tennisbaan en voetbalveld. Rondjes trekkende hardlopers op de atletiekbaan. Waar zijn de roeiers, die de wedstrijdacht het water in duwen? En al die mooie tenues, met die oranje P en de gestreepte tijger, Princetons mascotte?

Ondertussen staat de vos nog steeds aan de voet van de toren te loeren naar de student met zijn lunchhapje. Hij heeft alle tijd.

Reacties naar pdejong@ias.edu