Foto Merlijn Doomernik

Interview

Na ‘honeymoonfase’ eist virus ook zijn tol bij zorgverleners

Marc Rietveld en Marjel van Dam | UMC Utrecht Voor gestresste, overbelaste en bezorgde verpleegkundigen en artsen heeft het UMC Utrecht vele luisterende oren. „Ineens zien ze van dichtbij mensen sterven. Dat hakt erin.”

Toen het coronavirus begin maart in Nederland meer besmettingen veroorzaakte, begon Marc Rietveld (57) net als geestelijk verzorger in het UMC Utrecht. Op zijn nieuwe werkplek in het ziekenhuis, in het kantoortje van de dienst levensoriëntatie en geestelijke verzorging, ging het al snel over ‘Italiaanse toestanden’. Wat zou de impact worden van deze crisis? Welke noodscenario’s moesten er klaarliggen?

Aan de grote ovale vergadertafel schoven die dagen mensen aan van allerlei afdelingen – sommigen belden in. Binnen een week, vertelt Rietveld, ontstond er een ‘psychosociaal team’ van zo’n zestig collega’s: maatschappelijk werkers, geestelijk begeleiders, psychologen, psychiatrisch verpleegkundigen, consulenten van het palliatieteam, bedrijfscounselors. Rietveld werd coördinator. Het team zou steun gaan bieden aan patiënten en hun naasten. En aan de zorgverleners zelf.

„Het was bijzonder om te zien wat er in korte tijd gebeurde”, zegt Rietveld. „Iedereen kwam zich aanmelden, muurtjes vielen weg.” Zo kwam er een belploeg van medewerkers die noodgedwongen vanuit huis moesten werken, die dagelijks contact houdt met familieleden van patiënten op de intensive care om de verpleegkundigen te ontlasten. En iedere dag om acht uur ’s ochtends en vier uur ’s middags, als de dag- en nachtploegen elkaar afwisselen, vangt het team in de koffiekamer IC-personeel op.

„Ze horen er gewoon bij nu”, zegt intensivist Marjel van Dam (51). „Als je een rotdag hebt gehad omdat een patiënt heel erg ziek is geworden, kun je even met ze sparren.” Tot eind april had ze vanwege haar werk op de IC nauwelijks contact met de buitenwereld. „Het is intensief. Je gaat in het pak, kap op, jas aan, handschoenen. Iedereen komt met een rood en verhit hoofd de afdeling af. Een verpleegkundige die normaal gesproken één of twee patiënten verzorgt, heeft er nu vier.”

Het is ook zwaar, zegt Van Dam, voor degenen die het werken op de intensive care niet gewend zijn. „Ineens zien ze van dichtbij mensen sterven. Dat hakt erin.”

De afgelopen weken waren wat Marc Rietveld „de honeymoonfase van de crisis” noemt: een periode van enorme toewijding en saamhorigheid. ‘Oké’, was de gedachte onder het ziekenhuispersoneel, ‘schouders eronder en gaan.’ Maar nu is de adrenaline verdwenen en wordt de vermoeidheid zichtbaar. Het virus begint zijn tol te eisen, de reguliere zorg keert terug én er kan mogelijk een tweede golf van patiënten komen. Rietveld: „De komende maanden wordt het spannend.”

Hoe gaan jullie om met collega’s die stress ervaren?

Rietveld: „Het eerste wat we doen is normaliseren. Als je in extreme omstandigheden terechtkomt, is het niet vreemd dat je heftige emoties ervaart. Geef jezelf de ruimte om dat te voelen. We zorgen dat mensen goed naar huis gaan. Dat ze even tot rust komen. Als ze echt vastlopen, helpen we ze bij het vinden van intensievere begeleiding, bijvoorbeeld door de bedrijfscounselor.”

Waar maken zorgverleners zich het meest zorgen over?

Rietveld: „Wat op dit moment veel spanning veroorzaakt, is het omschakelen naar de oude situatie. Er is een stuwmeer ontstaan van mensen die zorg nodig hebben. Dat levert lastige morele vragen op: wie help je bijvoorbeeld als eerste? Ook zien we nog steeds dat patiënten niet komen opdagen.”

Van Dam: „Normaal gesproken komen er bij ons op de afdeling allerlei trauma’s binnen. Mensen die met de auto tegen een boom zijn gereden, van de trap zijn gevallen, mensen met hersenbloedingen. Die zijn er, en dat blijft heel bijzonder, een paar weken niet geweest.”

Rietveld: „Blijkbaar is er een soort schroom om naar het ziekenhuis te gaan. Het zou goed kunnen dat mensen er slechter aan toe zijn als ze straks alsnog komen.”

Ook vóór corona was er in het UMC Utrecht al aandacht voor medewerkers die verzeild raakten in lastige situaties. Sinds 2016 werkt in het ziekenhuis een team van zorgverleners dat speciaal getraind is in het geven van peer support: steun aan collega’s die een incident hebben meegemaakt. Marjel van Dam is coördinator. „Als iemand zich meldt, proberen we diegene binnen 24 uur te koppelen aan een collega die de situatie goed begrijpt.”

De crisis komt in fases: wat we kunnen leren van eerdere rampen

Er is inmiddels zo’n tweehonderd keer gebruik van gemaakt, vertelt Van Dam. Vaak na heftige gebeurtenissen, zoals vorig jaar toen naar aanleiding van de tramaanslag in Utrecht het calamiteitenhospitaal openging. „Maar het kan ook zijn dat iemand bijvoorbeeld een tuchtklacht krijgt.” Sinds het coronavirus wordt er vaker een beroep op peer support gedaan.

Onlangs maakte het RIVM bekend dat 13.884 zorgmedewerkers positief getest zijn op Covid-19. Hoe zit het met de angst zelf ziek te worden?

Rietveld: „Het is een van de onderwerpen waarover niet zo direct gepraat wordt, maar die angst is er absoluut. Het geeft spanning. Je hebt natuurlijk ook zorgverleners die kwetsbare mensen thuis hebben en zich grote zorgen maken.”

Niet iedere arts of verpleger zal zijn of haar gevoelens makkelijk uiten.

Van Dam: „Klopt. Als ik voor de IC mag spreken: we maken nu eenmaal heftige dingen mee. We zijn wel wat gewend, we piepen niet zo snel. Als je wat langer op een afdeling werkt, dan ken je je pappenheimers. Soms vraag ik gewoon: ‘Hé, hoe gaat het? Rare tijd hè?’”

Rietveld: „De een is extraverter dan de ander. We hebben geëxperimenteerd met een spreekuur, maar dat bleek niet te werken. Gewoon meedraaien, bij de koffie, de lunch – dat is hoe gesprekken ontstaan. Als mensen je gezicht kennen, komen ze sneller met hun verhalen.”

Hoe blijven jullie zelf mentaal gezond?

Van Dam: „Wat voor mij goed werkt, is af en toe een eind gaan lopen. Zeker de eerste paar weken was ik zo vol van alles, ik stond voortdurend áán. Je wordt wakker en het eerste wat je denkt is: ik moet weer aan het werk. Je bent met niets anders bezig. Dat houd je even vol, maar niet lang. Op een gegeven moment ben ik heel bewust gaan lopen om mijn hoofd leeg te maken.”

Rietveld: „Ondanks de drukte probeer ik momentjes voor mezelf te creëren. Ik heb thuis een kleintje rondlopen, dat helpt in deze tijd enorm. Ik ben ook mindfulnesstrainer. Elke avond om half negen wordt er gemediteerd door hulpverleners in het hele land, daar doe ik met een zekere regelmaat aan mee.”

Wat adviseren jullie zorgverleners die het moeilijk hebben?

Rietveld: „Praat erover. In eerste instantie met je collega’s, bespreek het met de teamleider. Als je daar je verhaal niet kwijt kunt, zoek het dan in de kring eromheen. Sluit je niet af.”

Van Dam: „We hebben het mooiste vak ter wereld. Als je het werk met hart en ziel doet en er gebeurt iets heftigs waardoor je het plezier kwijtraakt, dan is dat doodzonde.”

Steven Winkel (55) | OLVG Amsterdam
‘We hebben geleerd van de cafébrand in Volendam dat je het van je af moet praten’

„Ik woon in Weesp en werk in Amsterdam, meestal ga ik op de fiets, of heen met de trein en hardlopend terug naar huis. Tijdens die vijftien kilometer kan ik de dag van me af zetten. Daar kan ik me in deze tijd bijna op verheugen. Zelfs als het regent.

Mijn vriendin werkt ook in het ziekenhuis, daardoor weten we van elkaar wat we meemaken. Op de mooie dagen die we de laatste tijd hadden, zitten we veel in de tuin om bij te kletsen met een hapje en een drankje.

„Ik ga al een hele tijd mee op de intensive care, dus ik heb geleerd om wat ik meemaak los te laten. Maar toen ik een verhaal dat een collega op Facebook postte aan mijn vriendin voorlas, kreeg ik ineens een brok in mijn keel. Die collega beschreef hoe de kleinkinderen van haar patiënt hun opa aanmoedigden tijdens het videobellen, alsof het een voetbalwedstrijd was. Opa kon natuurlijk niet reageren.

„We proberen de hele dienst goede zorg te leveren. We controleren steeds het zuurstofgehalte en passen de beademing eventueel aan, we zorgen dat de patiënt lekker ligt als hij oncomfortabel lijkt, we passen medicatiepompen aan als de bloeddruk te laag is. Soms schiet het er vanwege de werkdruk bij in om de familie op het afgesproken tijdstip te bellen – voor hun heel erg want zij zitten maar te wachten op dat ene telefoontje.

„Buiten het coronatijdperk heb je naast de ernstig zieken ook patiënten die heel snel opknappen. Mensen die aan hun hart geopereerd zijn bijvoorbeeld zitten soms de dag na hun operatie alweer naast hun bed te ontbijten. Maar nu is iedereen heel ziek.

„We hebben twintig jaar geleden veel slachtoffers van de nieuwjaarsbrand in het café in Volendam behandeld. Dat heeft bij verschillende collega’s wonden achtergelaten. De parallel is dat er heel veel patiënten met hetzelfde kwamen en dat ze er ernstig aan toe waren. We hebben van Volendam geleerd dat je het van je af moet kunnen praten. Daarom zijn er nu standaard evaluatiemomenten aan het einde van de dag georganiseerd waarbij we in groepjes de dag bespreken. Je wilt de dag goed afsluiten.”

Milou (26) | AMC Amsterdam
‘Een coronapatiënt op de IC is geen persoon meer. Dat is me heel, heel zwaar gevallen’

Verpleegkundige Milou (26) werkt normaal gesproken op de afdeling hematologie en oncologie van het AMC in Amsterdam, maar werd eind maart overgeplaatst naar de speciale intensive care voor coronapatiënten.

„Na zes weken avond- en nachtdiensten draaien, ben ik ingestort. Er waren twee patiënten van mijn unit overleden. Bij een van hen was de familie te laat om erbij te zijn. Na elke werkdag wordt aangeboden om met de psychische ondersteuning te praten, maar ik dacht dat het allemaal wel ging. Ik heb me omgekleed en ben gaan slapen.

„Het laatste uur, ik was half wakker, dacht ik alleen maar aan de patiënten. Ik ging al mijn handelingen na. Heb ik alles wel goed gedaan? Ik werd huilend wakker, wilde heel graag even naar mijn paard, want dat is mijn uitlaatklep op zo’n moment. In de auto ernaartoe kwam dat coronaliedje van Diggy Dex op de radio, ‘Altijd dichtbij’. Ik begon weer te huilen en het stopte niet.

„Voor deze crisis woonde ik bij mijn ouders, maar daar ben ik weggegaan om ze te beschermen. Onderweg naar mijn paard ben ik bij hun huis gestopt. Dat was wat ik nodig had: mijn moeder die me vastpakte en me naar het hier en nu haalde. Dan vergeet je even dat er corona is.

„Later die dag heb ik mijn leidinggevende gebeld. Ik had nog twee nachtdiensten te gaan, daarna zou ik teruggaan naar mijn eigen afdeling. Ze heeft me meteen van het rooster gehaald. Voordat ik twee weken geleden weer begon bij hematologie en oncologie is er een mailtje rondgestuurd naar mijn collega’s over mijn situatie: ik wilde liever niet over mijn ervaringen praten, gewoon normaal aan de slag.”

„Ik zat midden in een verhuizing en verbleef tijdelijk bij mijn ouders, maar toen ik op de corona-afdeling begon, ging ik naar een hotel om hen te beschermen. Ik had even geen thuisbasis. De IC was overvol en ik was gewoon een poppetje dat kwam helpen. Ik kende de meesten van mijn collega’s niet. Ik zag dat mensen die normaal al op de IC werken het makkelijker los konden laten. Ik wilde niet voor hen onderdoen.

„Op de afdeling hematologie en oncologie maak ik ook hele nare dingen mee, jonge mensen die overlijden bijvoorbeeld. Maar met die patiënten kun je meestal wel praten, je kunt ze psychische ondersteuning bieden.

„In de normale situatie is mijn dag geslaagd als ik een patiënt of familie een lichtpuntje kan bezorgen. Dat kan met deze mensen niet. Ze liggen op hun buik, geïntubeerd, er mag geen familie komen. Er is geen persoon meer, geen inhoud meer. Alles is weg. Het is me heel, heel zwaar gevallen.”