Historici over hoe we de huidige tijd met vorige decennia kunnen vergelijken

Historisch perspectief De meeste historici zijn sceptisch over vergelijkingen met een eerder decennium. Toch herkennen ze de dreiging uit de jaren 50, de lusteloosheid uit de jaren 30.

1950: teken- en schilderles op de WKG (werkplaats kindergemeenschap).
1950: teken- en schilderles op de WKG (werkplaats kindergemeenschap). Foto G. v.d. Werff/ANP

Onzekerheid over de coronacrisis voedt de angst voor wat Nederland te wachten staat. Als we sombere jaren tegemoetgaan waarin de economie krimpt en de armoede groeit, en Nederlanders elkaar bovendien letterlijk op afstand moeten houden, zouden we ons dan kunnen spiegelen aan een eerdere periode in de geschiedenis, zoals de jaren vijftig, en zouden we daarvan iets kunnen leren?

Want de sfeer nu doet een beetje denken aan het einde van de jaren veertig en het begin van de jaren vijftig, toen volgens de overlevering de buitenwereld boos was, de mensen voorzichtig en Nederland kneuterig en zuinig en saai. Sla er de romans van Gerard Reve maar op na. Of de teksten van het toen populaire radioprogramma over de familie Doorsnee.

Staat Nederland een tijdvak te wachten waarin gezinnetjes zich, zoals toen, hebben afgekeerd van de politiek en zich vooral druk maken om de dikte van de jus op de aardappelen tijdens gezamenlijke maaltijden, ouders piekerend over hun maandloon, lastiggevallen door kinderen die de neerslachtigheid beu zijn en uit de sleur willen breken?

Historicus James Kennedy vindt een vergelijking met de jaren vijftig „een beetje vergezocht” maar kan er in een enkel opzicht in meegaan. Kennedy: „In globale zin kun je parallellen zien.” Weliswaar waren de burgers uit de jaren vijftig niet bang of sociaal geïsoleerd, zoals wellicht nu voor veel mensen wel geldt. Kennedy: „Mensen hadden hun vaste kring, met grote gezinnen en familie en een buurt waarmee ze veelal een binding hadden.”

Maar inderdaad was er net als nu sprake van een gevoel van dreiging. Kennedy: „In de jaren vijftig lag de oorlog nog vers in het geheugen. Er was een boze buitenwereld. Men vreesde een derde wereldoorlog. Men had het gevoel dat het mis kon lopen. Dat kennen we nu ook; er is sprake van een onheilspellende toekomst, eerst al door de gevolgen van klimaatverandering en nu door het virus: we zijn niet de meester van het eigen lot. In de jaren vijftig hechtten mensen veel waarde aan waakzaamheid en discipline, en vonden ze dat ze elkaar moesten opzoeken. Ook nu zie je dat mensen de banden met elkaar willen aanhalen.”

Lees ook dit opiniestuk: Historici moeten ook meedenken, juist nu

Alle vergelijkingen hachelijk

De meeste historici zijn sceptisch over vergelijkingen met een eerder decennium. Elk tijdvak kent z’n eigen kenmerken, zeggen ze, alle vergelijkingen zijn hachelijk, en dat geldt zeker voor die met de jaren vijftig. Het beeld van dit decennium is namelijk lang bepaald door wat de hippies uit de jaren zestig erover hebben beweerd.

„Het is een misvatting dat de jaren vijftig zo benepen waren”, zegt historicus Piet de Rooy. „Dat beeld is vooral gemaakt door mensen die hun eigen progressiviteit in de jaren zestig wilden benadrukken. Provo bijvoorbeeld. Ze beschouwden zichzelf als hoeders van nieuwe vrijheden en moesten daartoe maximaal afstand scheppen tot de tijd die daaraan vooraf was gegaan.”

In feite waren de jaren vijftig reuze vernieuwend en werd de kiem gelegd voor de mieterse jaren zestig. Er was een „behoorlijk opgewonden” cultuuraanbod, vertelt De Rooy, die schreef over een „hysterisch gekkenhuis” dat in 1953 volgens de toenmalige pers werd aangericht in het Amsterdamse Concertgebouw, toen daar de Amerikaanse vibrafonist en jazzbandleider Lionel Hampton tekeerging. Ook Rock Around The Clock (1956) leidde tot opschudding, en echt niet alleen in Amsterdam; toen de burgemeester van Apeldoorn deze Amerikaanse film aanvankelijk verbood, gooiden jongeren de ruiten van zijn woning in. En wat te denken van kunstenaars als Karel Appel en Jan Cremer? Die waren toen behoorlijk populair.

1972: Met ontslag bedreigd personeel van de Enka-fabriek in Breda. Foto ANP

Niet je voortuin gaan rollen

Als je al een historische vergelijking zou willen maken, dan komen de jaren vijftig daarvoor niet echt in aanmerking, vindt ook Henk van Os, voormalig directeur van het Rijksmuseum. De kunsthistoricus heeft de jaren vijftig als tiener in Groningen meegemaakt. Van Os: „Ik heb altijd een zekere irritatie gehad over het feit dat de jaren zestig zijn verheerlijkt ten koste van de ontzettend truttige jaren die daaraan vooraf zouden zijn gegaan. Terwijl die jaren aan mijn vorming hebben bijgedragen. Ik noem het existentialisme van Sartre en Camus, het absurdistische theater van mensen als Beckett, de Cobra-mensen in de beeldende kunst.”

Het was in die jaren zeker rustig op straat, maar die rust was een andere dan die van nu. Van Os: „Er waren sterke structuren die de rust veroorzaakten. Neem de zondagsrust. Je kon in die jaren echt niet op zondag je voortuin gaan rollen. Wat er nu gebeurt, is alsof je midden in een toneelstuk alles ineens stillegt. Zo’n stilte valt met geen andere stilte te vergelijken.”

1956: Wedstrijd georganiseerd door de Algemene Damesvoetbalbond. Foto ANP

Hoe benauwend en voorzichtig voor sommigen de jaren vijftig in sommige opzichten zijn geweest, en hoe deprimerend ze achteraf ook lijken te zijn geweest door bijvoorbeeld de Watersnoodramp in 1953, de massale emigratie, de enorme woningnood en de Koude Oorlog, kenmerkend was het perspectief dat het alleen maar beter kon worden, stelt historicus Wim Willems. Hij groeide in de jaren vijftig op in Den Haag. „Mijn ouders hebben eigenlijk geen jeugd gehad. Ze hadden eerst de crisis en daarna de oorlog meegemaakt. Ga er maar aan staan. Daar kwam in de jaren vijftig een einde aan. Het was de tijd van de wederopbouw. In die tijd is onze bevrijding begonnen. Dankzij de sociaaldemocratie heb ik als zoon van een metselaar kunnen studeren.”

Lees ook: Hier lonkt een samenleving van onaanraakbaren (opinie)

Wat Willems betreft gaat een vergelijking met onze toekomstige coronajaren dan ook mank. „Er is nu geen perspectief. Er is een reus geveld en het is de vraag hoe de reus zich weer gaat oprichten.”

Ook de wijze waarop Nederland op de maatregelen reageert, bewijst hoezeer de huidige tijd verschilt van die uit zijn jeugd. Willems: „Men is heel gezeglijk. Niemand komt in opstand. We aanvaarden de regels. Nog sterker: we proberen de zwakken in de samenleving te beschermen tegen de gevolgen van de coronacrisis. Dat is een humanistische boodschap die zijn weerga niet kent, en die ik in de jaren vijftig niet zou hebben gehoord. Als toen een politieman in een park jongeren had gemaand anderhalve meter afstand te houden, was hij uitgejouwd. Er was veel verzet tegen het gezag. De mensen waren ruw. Je pikte het niet dat het gezag jouw leven beperkte, zoals je dat in de oorlog van de moffen niet had willen pikken.”

1936: Jonge werklozen tewerkgesteld in de bossen en op de heide bij Blaricum. Foto ANP

Grauwsluier over de samenleving

Als je parallellen zoekt met een benauwende periode in de geschiedenis, doceert historicus Piet de Rooy, dan komen hem veeleer de eerste paar jaar na de oorlog voor de geest, „toen alles nog op de bon was en men bang was voor weer een oorlog”.

Of nog beter: de jaren dertig. De Rooy: „In deze crisisjaren hing er een grauwsluier over de samenleving en waren veel mensen lusteloos. Uit onderzoek naar de sociaal-psychologische effecten van economische neergang blijkt altijd dat de meeste mensen in elkaar zakken, het hoofd in de schouders laten hangen. Voorspellen is een ingewikkelde zaak maar zoiets kan de komende jaren ook hier gebeuren, in sommige wijken waar mensen het perspectief verliezen.”

1977: Demonstratie tegen de grote jeugdwerkloosheid. Foto ANP

En als we dan toch in het wilde weg aan het vergelijken slaan, dan komt volgens historicus James Kennedy nog een ander tijdvak in aanmerking: de jaren zeventig. „Dat zijn de jaren waarin het doemdenken begon, het rapport van de Club van Rome verscheen en veel mensen teleurgesteld raakten dat de dromen uit de jaren zestig niet waren uitgekomen, jaren die zouden eindigen met de no future-generatie.”