Informatie, manipulatie, een bom: als een politieke whodunit op komst is

Deze week: vrees voor informatiebommen, verslapte informatieplicht aan de Kamer, een ambassadeur met rare informatie, een minister over verdachte informatie. Ofwel: als politiek van ideeënstrijd verandert in informatiestrijd.

Informatie is een levensader voor de democratie. Maar deze week zag je dat de democratie ook door informatie belaagd kan worden.

Het gebeurde in de VS – maar ik merkte dat de ernst van de zaak meteen tot Haagse politieke en bestuurlijke kringen doordrong.

#Obamagate, het door president Trump met tientallen tweets geconstrueerde schandaal inzake zijn voorganger Obama, raakte aan een angst die al langer in het Haagse systeem sluimert.

De vrees dat politieke prestaties en reputaties ongedaan kunnen worden gemaakt met een informatiebom van miljoenen online posts die een gevoel overbrengen dat niet door feiten wordt geschraagd. Een schandaal dat in je hoofd wordt geplant hoewel het niet bestaat.

Ik zag bijvoorbeeld dat oud-VVD-campagnemedewerker Mark Thiessen, doorgaans een kalme optimist, op het liberale Medium-kanaal De Nieuwe Vrije Eeuw een somber stukje aan de Trump-aanpak wijdde. „Een waarheid kun je tegenwoordig creëren”, schreef hij. „Vanuit het niets. En je kunt er verkiezingen mee winnen.”

Hij voorziet dat kiezers door dit soort technieken steeds lastiger werkelijkheid van ruis kunnen scheiden. Dat een overvloed aan informatie het zicht op feiten, bronnen en hun geloofwaardigheid belemmert.

En hij schreef: „Misschien zeggen ze later over deze tijd: ‘Ze hadden geen democratie meer, maar hielden nog wel verkiezingen’.”

Informatie en manipulatie – het is een klassieke politieke twee-eenheid. „Regeren is doen geloven”, schreef Machiavelli al. Maar anno 2020 is het wel anders. Waar democratie ooit draaide om ideeënstrijd, is het nu verworden tot informatiestrijd.

Een Haags cliché wil dat manipulatie van informatie door de regering een doodzonde zou zijn: de Kamers dienen ingevolge artikel 68 van de Grondwet juiste en volledige informatie te ontvangen.

Maar deze week zagen we hoe parlementaire zelfverloochening werkt. Minister Bijleveld (Defensie, CDA) kwam voor de vierde keer naar de Kamer wegens onjuiste informatie over een Nederlandse luchtaanval op een IS-wapenopslag in het Iraakse Hawija, in 2015. NRC en NOS, die de zaak vorig jaar onthulden, meldden vanaf het begin dat er zeventig burgerdoden vielen. Het kabinet wilde dit getal nooit beamen of sprak het tegen. Zelfs nadat NRC en NOS in december een mail van de Amerikaanse krijgsmacht ontvingen met daarin opnieuw de zeventig burgerdoden, week Bijleveld niet.

Maar in februari meldde het Pentagon de minister alsnog dat die zeventig burgerdoden gewoon in de Amerikaanse statistieken staan. Daarna duurde het tot eind maart – het hoogtepunt van de coronacrisis – voordat zij dit doorstuurde aan de Kamer.

En donderdag liet een meerderheid (VVD, CDA, D66, CU, SGP, FVD, Van Haga) het hele geval passeren. Veel woorden, geen daden.

Conclusie: onjuiste informatie van het kabinet is helemaal geen doodzonde. Ook na vier keer niet.

Het was erger: NRC en NOS verkregen via de Amerikaanse Wet openbaarheid bestuur (Wob) documenten waaruit bleek dat de luchtmacht van de VS snel na ‘Hawija’ voorbereidingsprocedures aanpaste. Hoewel Bijleveld steeds volhield dat bij de voorbereiding van de luchtaanval „geen fouten” waren gemaakt, duidde dit op het tegendeel.

Alleen: de minister had de betreffende documenten nooit aan de Kamer gestuurd. Ze zei achteraf: ze waren door de Amerikanen geclassificeerd als vertrouwelijk. Toch hadden diezelfde Amerikanen de stukken via hun Wob vrijgegeven.

Ook hier stapte de Kamer overheen. Terwijl diezelfde Kamer nog in februari een motie van Omtzigt (CDA) aannam – nota bene in een debat over artikel 68 van de Grondwet – met als stelling „dat het zeer onwenselijk is dat aan een Kamerlid [...] documenten niet worden verstrekt” die op grond van de Wob „wel aan een [...] journalist worden verstrekt”. Precies wat hier was gebeurd. Maar zelfs dit liet de Kamer begaan.

Overigens was één aspect van Bijlevelds kritiek op de Amerikaanse opstelling wel logisch: eerst een document classificeren als vertrouwelijk en het daarna toch vrijgeven aan verslaggevers, is niet het gedrag van een bondgenoot.

Het past meer bij de recente strapatsen van Amerika’s ambassadeur Pete Hoekstra. Deze week maakte hij op sociale media bekend dat hij in een lunch met Robert Jensen (laatst betrapt op 23 onbewezen stellingen in één show) zocht naar ‘waarheid’ over corona en China. Een ambassadeur die zijn land eerder als querulant dan als bondgenoot representeert.

Uit Jensens verslagje van de ontmoeting begreep ik dat de heren uitvoerig spraken over, jawel, #Obamagate – dat deze week ook trending in Nederland werd gemaakt.

Jensen duidde dit als „het grootste politieke schandaal uit de Amerikaanse geschiedenis”. Twee inlichtingenadviseurs van Obama zouden destijds geen bewijs voor samenzwering van Trump met de Russen hebben gehad, waarna de FBI toch onderzoek begon. Mede „door de leugenachtige media” werd het vuurtje opgestookt maar uit het eindrapport van speciaal aanklager Mueller bleek „dat het een leugen was vanaf het begin!”, aldus Jensen. In De Telegraaf schreef Leon de Winter iets vergelijkbaars.

Het punt is alleen dat het Mueller-onderzoek concludeerde dat de Russische regering „systematisch intervenieerde in de Amerikaanse verkiezingen van 2016”, daarbij „strafbaar handelde” met het oogmerk „de kandidatuur van Trump te ondersteunen”.

Trump zelf werd niet aangeklaagd – maar wel 34 andere personen, onder wie de oud-voorzitter van zijn verkiezingscampagne.

Het ongemakkelijke is nu dat door al dit lawaai de hele techniek van buitenlandse verkiezingsinterventie, door Russen of anderen, als onbetekenend trucje te boek staat.

Met als paradoxaal gevolg dat diezelfde Trump deze week een informatiebom losliet op de eigen bevolking waarvan de omvang zelfs Nederlandse campagnedeskundigen en politici de schrik om het hart sloeg.

Het is niet alles. Twee weken geleden signaleerde ik op deze plaats dat de AIVD voor het eerst in de geschiedenis melding maakte van buitenlandse mogendheden die „proberen binnen te komen” bij „politieke partijen”. Dan zit je al in de buurt van verkiezingsinterventie.

En deze week schreef minister Ollongren (Binnenlandse Zaken, D66) dat op beperkte schaal ook in Nederlandse sociale mediagroepen Russische verhaallijnen circuleren die de Europese verdeeldheid over coronabestrijding proberen op te poken. Ook nogal herkenbaar.

Het ingewikkelde is natuurlijk dat geen enkele democratie zeker weet of ze bestand is tegen de techniek van informatiebommen. Tegelijk merkte ik bij een snelle rondvraag in enkele partijen dat men wel nadenkt over contrastrategieën. Het blijft niet bij verontrusting alleen.

De aanpak waarvan ik het meeste hoorde is dat je tools democratiseert waarmee de herkomst van sociale media-accounts is vast te stellen. „Is Henkie uit Surhuisterveen inderdaad Henkie uit Surhuisterveen?”

Het idee erachter: je bestrijdt niet de (des)informatie maar stimuleert openbaarmaking van bronnen. Desinformatie als basis voor een permanente politieke whodunit. Zo kun je ook tot een weerbericht voor ‘trending topics’ komen: in welke mate zijn onderwerpen gestuurd door nepaccounts?

Ideeën die de paradox van de week onderstreepten: waar de Kamer onjuiste informatie van het kabinet lichtzinnig accepteerde, bleek eens te meer het potentiële gevaar van de politieke informatiebom.

Het bevestigde dat politiek pure informatiestrijd is geworden. Afzijdig blijven is geen optie meer. Wie niet meedoet heeft sowieso verloren.