Opinie

Bedrijvenfonds of scholingsplan?

Marike Stellinga

De makkelijke fase van het economische crisisbeleid is voorbij. Kon het eerste steunpakket voor ondernemers, bedrijven en werknemers op ongebruikelijk brede lof rekenen in de polder en in de politiek, over het tweede pakket lopen de humeuren uiteen. En het is nog niet eens rond, want het kabinet worstelt ermee.

Neem de boete op ontslag die in het eerste pakket zit. Bedrijven die loonsubsidie ontvangen, moeten die terugbetalen plus een boete als ze personeel om bedrijfseconomische redenen ontslaan. Volgens minister Wouter Koolmees (D66, Sociale Zaken) is dat in het tweede pakket vanaf juni niet meer houdbaar. Bedrijven moeten zich kunnen aanpassen aan hun gekrompen omzet en afzetmarkt. Als ze daarom mensen moeten ontslaan, mogen ze voor het overige personeel nog steeds subsidie aanvragen. De boete gaat er af. Ja doei, reageerden vakbonden en de linkse oppositiepartijen verbolgen, deze miljardensubsidie heeft als doel juist banen behouden.

Hoe relevant deze discussie ook is, het deed me beseffen dat ik veel plannen zie voor hoe de overheid bedrijven kan helpen, bijvoorbeeld via investeringen in bedrijven. Maar ik zie nog weinig plannen voor hoe de overheid moet helpen bij een minstens zo belangrijke aanpassing: die van werknemers die hun baan verliezen. Iedereen verwacht dat het aantal ontslagen fors toeneemt. Mensen zouden idealiter van de ene sector (horeca, reizen, evenementen) naar de andere overstappen, waar wél werk is (distributie, zorg, tuinbouw).

Juist op hulp aan mensen zonder werk, zoals begeleiding en omscholing, is door vorige kabinetten-Rutte flink bezuinigd. Het resultaat: Nederland geeft minder uit aan activerend arbeidsmarktbeleid dan andere Europese landen, stelde de WRR in januari. We hebben de infrastructuur voor zo’n grote hulpoperatie dus niet. In Zweden en Finland sparen bedrijven voor hun werknemers in transitiefondsen. Nederland mist dat soort scholingsfondsen om mensen naar een andere sector te helpen, zei hoogleraar Ton Wilthagen vorige week in NRC.

Het kabinet kreeg voor de coronacrisis twee adviezen over de toekomst van werk, van de WRR en de commissie Borstlap. Beiden bepleitten indringend juist ook kansarme werkenden scholingsgeld te geven. Borstlap bedacht een leerrekening voor elke Nederlander, genoeg om een universitaire studie af te ronden. Zodat degenen met een kortere opleiding geld over hebben als ze gaan werken, om zich bij te scholen.

Ver voor de coronacrisis waarschuwden de raadgevers van het kabinet al voor een grotere groep kwetsbaren op de arbeidsmarkt. Nederland kent meer flexwerkers dan tijdens de vorige crisis en die zijn ook nog eens vaak laagopgeleid. De kloof tussen kansarm en kansrijk groeide sterk.

De mensen die deze hulp en omscholing mislopen, zijn de mensen die niet het voorrecht van een vast contract hebben bij een groot bedrijf, waar doorgaans sociale plannen worden opgezet voor personeel dat weg moet. Het gros van de banen zit bij het midden- kleinbedrijf dat moeilijker sociale plannen kan opzetten. En dus komt de klap van deze crisis opnieuw onevenredig terecht bij mensen die al kwetsbaar zijn.

Veel geld snel overmaken naar bedrijven als loonsteun was misschien hartstikke knap in de eerste fase van deze crisis. Nu grootschalige werkhulp optuigen die Nederland niet heeft, dat zou pas echt knap zijn.

Marike Stellinga is econoom en politiek verslaggever. Ze schrijft elke week op deze plek over politiek en economie.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.