Zij liet als eerste een coronavirus zien

Ze waren belangrijk voor de wetenschap, maar deze vrouwen stonden tot nu toe in de schaduw.

‘Een simpele methode wordt beschreven om met elektronenmicroscopie weefselculturen te onderzoeken op de aanwezigheid van virussen.” Met die wat houterige zin begint de samenvatting van een artikel dat vroeg in 1967 verscheen in het Journal of General Virology.

In het stuk illustreerde viroloog June Almeida van St Thomas’s Hospital Medical School in Londen, samen met collega David Tyrrell, het succes van die simpele methode aan de hand van plaatjes van drie „tot dusver nog niet gekarakteriseerde virussen. Bij twee van deze lijken de virusdeeltjes op die van besmettelijke kippenbronchitis [...]”.

Het was niet voor het eerst dat ze schreven over de virussen die Tyrrell, directeur van de verkoudheidsonderzoeksafdeling in Wiltshire, uit de neus van verkouden vrijwilligers had gespoeld. In 1965 hadden Almeida en Tyrell al bericht over zo’n virus, B814, dat van een kostschoolstudent afkomstig was. „Na lang te hebben geaarzeld, zijn we er nu van overtuigd geraakt dat de B814-stam een virus betreft dat vrijwel niet verwant is aan een van de andere bekende virussen van de menselijke luchtwegen [...]”, hadden ze in het medisch vakblad BMJ geschreven.

Nieuw in 1967 was dat ze plaatjes lieten zien, gemaakt met een Philips 200 elektronenmicroscoop. De virusdeeltjes daarop waren min of meer rond en omgeven door een lichtende krans die deed denken aan de zonnekrans. Vandaar dat Almeida en Tyrrell en zes andere virologen de naam coronavirus voorstelden in een uitvoeriger publicatie in Nature in 1968.

Het werk vormde maar één van de kronen op Almeida’s carrière. Zo bracht zij in diezelfde periode als eerste, met alweer een elegante techniek, het rodehondvirus in beeld en liet zij zien dat het hepatitis-B-virus uit twee delen bestaat. Zulke plaatjes verschenen in vrijwel alle leerboeken over de virologie.

Huurkazerne in Glasgow

Wie zou dat bij haar geboorte in 1930 hebben gedacht? June Hart, zoals ze ter wereld kwam, groeide op in een huurkazerne in Glasgow als dochter van een buschauffeur. Op haar zestiende ging ze voor 25 shilling per week aan de slag als laborant bij de afdeling weefselonderzoek van het academisch ziekenhuis van Glasgow, een baan waar ze wel wat, maar lang niet al haar nieuwsgierigheid in kwijt kon.

Daarom verhuisde ze naar Londen waar ze laborant werd in het St Bartholomew’s Hospital. Ze ontmoette er de Venezolaanse kunstenaar Enrique Almeida, met wie ze trouwde, een dochter kreeg en naar Canada verhuisde. Daar, in Toronto, kreeg en greep ze vervolgens haar kansen. Ze vond een baan bij de afdeling elektronenmicroscopie van het Ontario Cancer Institute en omdat zij die techniek op originele manieren toepaste, werd ze co-auteur van een reeks toonaangevende publicaties.

In 1964 haalde viroloog A. P. Waterson haar terug naar Londen waar ze op grond van haar publicaties een doctoraat kreeg en waar haar carrière definitief opbloeide. In deze jaren begon haar samenwerking met Tyrrell en verhuisde ze met Waterson mee van het St. Thomas’s Hospital naar de prestigieuze Royal Post Graduate Medical School.

Anders dan haar mannelijke collega’s werd Almeida nooit tot hoogleraar benoemd en niet overladen met prijzen. Wél herdachten collega’s haar na haar overlijden eind 2007 als een sprankelende geest die talloze virologen de kneepjes van de elektronenmicroscopie bijbracht.

Na haar pensioen in 1985 gooide Almeida het roer om. Ze werd yogadocent, bekwaamde zich in het restaureren van porselein en handelde met haar tweede echtgenoot, de gepensioneerde viroloog Philip Gardner, in antiek. Al kon ze het niet laten om in de jaren 80 met oud-collega’s een aantal van de eerste scherpe opnames van het hiv-virus te maken. Had ze nog geleefd, dan had Almeida de Covid-19-ontwikkelingen ongetwijfeld op de voet gevolgd.