Opinie

Veiligheid wordt steeds belangrijker dan vrijheid

In Europa

In Zweden sloeg de Hongkonggriep in de winter van 1969-1970 zo hard toe, dat er trams uitvielen omdat de conducteurs in het ziekenhuis lagen. Maar het leven ging gewoon door. De krant Expressen schreef dat mensen, bij gebrek aan openbaar vervoer, „maar weer moeten leren lopen”.

In Frankrijk was een op de drie leerkrachten die winter ziek en een op de vijf ambtenaren en fabrieksarbeiders. Ook daar ging alles normaal verder. „De griepepidemie die zich zoals elk jaar over Europa verspreidt, is ernstig noch nieuw”, schreef Le Monde op 18 december 1969, in een schaars bericht erover.

Fascinerend om dit anno 2020 te lezen: in die winter stierven er wereldwijd vermoedelijk een miljoen mensen aan de Hongkonggriep, maar bijna niemand wond zich erover op. Niet in Azië, waar de griep ook toen vandaan kwam. Niet in Amerika, dat werd besmet door terugkerende GI’s uit Vietnam. En niet in Europa, al zag je daar dezelfde dramatische taferelen als nu – patiënten die op de gang stierven omdat ziekenhuizen weinig capaciteit hadden, mortuaria die geen ruimte hadden voor zoveel lijken, verpleegsters zonder maskers of handschoenen.

Waarom reageren we nu met lockdowns, en waren we toen zo laconiek?

Wat wij goed of fout doen, kunnen we pas bepalen als dit voorbij is. Maar wat wel duidelijk is: we gaan nu anders met risico om. Claude Hannoun van het Pasteurinstituut, destijds dé griepexpert van Frankrijk, vertelde laatst in Le Monde dat hij in september 1968 op een griepcongres was in Teheran. Van de negenhonderd deelnemers werd 70 procent ziek. Hij ook. Frankrijk nam geen maatregelen. Niemand deed dat. „Het was toen doodnormaal dat mensen aan griep stierven”, zei Hannoun. Toen de pandemie een jaar later wel rondgierde, verweet niemand de regering laksheid. Nee, het was een „griepje” – heel ellendig, maar iets van alle tijden. En dat was dat.

In die dagen stierven mensen ook bij bosjes in het verkeer. En door roken. Ook daar maakten weinigen zich druk om.

Vroeger hadden we minder te verliezen dan nu, dat is zeker – en hoe meer je hebt, hoe meer je wilt beschermen. Ook redeneerden we in de jaren zestig meer als collectief, als groep. Nu zijn we individualistischer. Elk mensenleven telt. Net als de Hongkonggriep treft het coronavirus vooral mensen boven de 65 – maar daar zijn er nu twee- tot driemaal zoveel van als vijftig jaar geleden. Oudere mensen nemen minder risico’s dan jongeren. Mede daardoor worden zekerheid, bescherming en veiligheid de laatste jaren steeds belangrijker dan vrijheid. Corona versterkt die trend. Veiligheid wordt soms zo belangrijk dat we heftig reageren op gevaar. Eén terreuraanslag en de tanks rollen over straat. President Macron noemt de strijd tegen de pandemie „oorlog”. Overal berichten de media al maanden over niets anders dan het virus.

We leven in een tijdperk dat de filosoof Peter Sloterdijk in zijn boek Du musst dein Leben ändern (2011) als „co-immunistisch” omschreef: we verdelen geen productie en goederen meer, zoals onder het communisme, maar protectie. We proberen de samenleving immuun te maken voor risico’s.

Vandaar dat veel burgers in Europa naar de regering kijken voor bescherming en instructies. We accepteren ongeveer alles wat van boven komt – zelfs maandenlange lockdowns. In veel landen ligt de oppositie in de touwen. Maar terwijl het vertrouwen van burgers in de regering stijgt, daalt het vertrouwen van de regering in de burgers juist. Leiders zijn onzeker en nemen draconische maatregelen – voorkomen is beter dan genezen. De verantwoordelijkheid valt hen zwaar. Overtredingen worden streng bestraft.

Sommigen waarschuwen dat de democratie het loodje legt en vrezen dictators en 1984-scenario’s. Maar die Hongkonggriep leert ons: wij, burgers, vragen hier zelf om.

Caroline de Gruyter schrijft wekelijks over politiek en Europa.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.