Recensie

Recensie Boeken

De roekeloosheid van jonge verzetsmensen

Tweede Wereldoorlog Uit tien verhalen, met een flinke dosis anekdotes, blijkt hoe roekeloos jonge verzetsmensen vaak te werk gingen.

Je kunt lang blijven kijken naar de foto’s in De geldjas van Max Nord. Verzwegen verhalen uit het verzet van Harry van Wijnen. En dan vooral naar de foto’s van 5 december 1944, sinterklaasavond. Het is Hongerwinter en dat zullen ze ook gemerkt hebben in het pand in de Michelangelostraat 36 in Amsterdam. Daar verblijven onderduikers, verzetsstrijders en gestrande bemanningsleden van geallieerde vliegtuigen. Maar op die foto’s lijkt de oorlog ver weg. Er wordt gelachen, er wordt gezongen (ook door de buitenlandse piloten die dagen hebben geoefend op sinterklaasliedjes). En ‘er is geen gebrek aan sterke drank’, schrijft Van Wijnen. Enkele uren later zullen de vliegers proberen per fiets het bevrijde zuiden te bereiken.

Harry van Wijnen (1937), redacteur in ruste van Het Parool en NRC Handelsblad, wilde eigenlijk schrijven over de geschiedenis van de verzetsgroep van zijn vader in Rotterdam. Het bleek een onmogelijke opdracht: getuigen waren er niet meer en papieren hadden ze nauwelijks nagelaten. Die waren er wel in Amsterdam, waar veel Parool-collega’s een verzetsverleden hadden.

Het leverde tien verhalen op, met een flinke dosis anekdotes. Wat opvalt is de roekeloosheid waarmee de vaak jonge verzetsmensen opereerden. De 17-jarige Hannie Gräter was koerierster maar gebruikte geen fiets. Ze deed alles op rolschaatsen. ‘Rolschaatsen hadden het voordeel dat je sneller kon verplaatsen’, vertelde ze, ‘en dat ze een speelse indruk maakten’. Van Wijnen: ‘De Duitse politie kwam niet op de gedachte dat het verzet rolschaatsend over straat ging en viel haar nooit lastig.’ Heleen Kuyper was aan het begin van de oorlog afgestudeerd aan het Amsterdams Conservatorium en vervoerde stenguns voor het verzet in haar vioolkist.

Met knijptang en draadschaar

Ook een mooie anekdote: Theun Lammertse en Frank Wibaut die in 1942 op goed geluk naar Westerbork reisden om een vriend te helpen vluchten. Ze waren gewapend met een knijptang en een draadschaar. Ook hadden ze medicijnen bij zich. ‘Ze kregen zelfs toestemming de koffer naar de apotheek te brengen. Ongemoeid konden ze het terrein op fietsen.’ Vervolgens vonden ze de vriend die ze wilden helpen, maar die zag een vlucht niet zitten.

Het is jammer dat het vooral bij anekdotes blijft. De verhalen zijn bovendien nogal ongelijksoortig – de langste telt 23 pagina’s, de kortste amper vijf. Sommige hebben geen duidelijk begin of einde. Het geheel oogt daardoor nogal opsommerig.

Lees ook: Zij waren ooggetuigen van de hel – een dagboek van de laatste oorlogsdagen (•••••)

Een van de meer geslaagde hoofdstukken gaat over journalist Max Nord, die van de jas uit de titel. Het persoonlijke verhaal van Nord wordt hier verbonden aan het grotere verhaal van het Nationaal Steun Fonds (NSF), de illegale bijstandsorganisatie die met hulp van de Nederlandse regering in Londen duizenden gezinnen onderhield. De ‘uitkeringen’ konden moeilijk per giro worden overgemaakt. Daarom waren er ‘geldlopers’ nodig, zoals Max Nord. Die gebruikte daarvoor een jas met verborgen zakken, waar tienduizenden guldens onzichtbaar in konden verdwijnen. Het naaiwerk werd gedaan door Tiny Carmiggelt, de vrouw van Simon.

Waar je ook lang naar kunt kijken, is een bijlage achterin het boek. Het gaat om een enorm organogram van het verzet: knokploeg, schoolverzet, de NSF, illegale bladen, ze staan er allemaal op. Verzetsman Bart van Tongeren vond het organogram enkele dagen na de bevrijding in de ruïne van het voormalige SD-hoofdkwartier. De wandkaart toont hoe wijdvertakt het verzet was, maar ook hoe goed de Duitse bezetters geïnformeerd waren.