Recensie

Recensie Boeken

Met champagne besprenkeld geneuk in een Vinkeveens buitenverblijf

Martijn Simons Het derde boek van Martijn Simons (1985) gaat over een vader met politieke ambities, ontspoorde kinderen en een met champagne besprenkeld geneuk in een Vinkeveens buitenverblijf.

Tekening Paul van der Steen

Martijn Simons (1985) debuteerde tien jaar geleden met de intieme, dunne roman Zomerslaap, over een afwachtende jongeman, en richtte vijf jaar daarna een heel gezin te gronde in het tweemaal dikkere Ik heet Julius. Nu, weer vijf jaar later, is er de 150 pagina’s dikkere De Hollandse droom, een nog ambitieuzere roman waarmee hij – zo valt voorzichtig te stellen – opschuift naar het domein van A.F.Th. van der Heijden, naar een schrijverschap waarin een tijdperk wordt gewikt en gewogen.

Opnieuw moet een gezin het bezuren (een vader in het bijzonder), maar deze keer heeft het werk ook een politieke dimensie en presenteert Simons meer dan alleen een geïsoleerd drama. De geschiedenis speelt in 2009, maar behalve dat ene jaar gaat het ook over de twee decennia die er aan voorafgingen, over de generatie die toen opvoedde of juist werd opgevoed.

De centrale figuur is Rudolf Keller, een rechter. Veel krijgen we niet mee over de uitoefening van zijn ambt; Simons zal hem die professie hebben toebedeeld om hem een identiteit van redelijkheid, kalmte en gezag te geven. Keller is al lang lid van de PvdA en aast nu – hij wipt er onrustig van in z’n stoel – op een ministerspost. Hij gaat de zogenoemde oriënterende gesprekken aan en we zien de mensen voorbijkomen die zijn brandende ambitie kunnen vervullen of dwarsbomen. Keller komt van ver: ergens denkt hij terug aan hoe kleinbehuisd zijn moeder en hij vroeger woonden. Wat ook meteen zijn materialisme verraadt, maar dat terzijde.

Hoog te paard

We kúnnen Rudolf de centrale figuur noemen in dit in verschillende perspectieven vertelde verhaal omdat Simons het zo duidelijk op hem gemunt heeft. Hij is de figuur die hoog te paard zit en zijn hand overspeelt, als de David Lurie van Coetzee, de Jörgen Hofmeester van Grunberg, de Johann Holtrop van Rainald Goetz. Hij is de man die ingehaald wordt door de tijd, hij is degene die een prijs zal betalen voor zijn lichtzinnigheid, zelfoverschatting en stille dwang.

Toen zijn zoon puberde en de wet overtrad stuurde hij hem rap naar een kostschool overzee; nu schrijft deze Bram boeken vol over wat eigenlijk, zo wenst Rudolf, bedekt had moeten blijven. De verf begint af te bladderen. In de openingsscène zit Rudolf tandenknarsend te kijken naar zijn charmante zoon, die op tv wordt geïnterviewd. Achter Rudolf scharrelt moeder Marloes rond, een in het vervaardigen van vruchtbaarheidsgoden gespecialiseerde, tot op het bot verzenuwde kunstenares, die juist apetrots op Bram is. Wat doet hij het goed hè? Ja, glad babbelen kan hij zeker, denkt Rudolf, maar móét dit nou, dat vermarkten van de familiegeheimen?

Ja, moet dit nou en kan dit wel: het is een eerste blijk van de eigenlijke inzet van De Hollandse droom, namelijk het morele kompas van de gevestigde orde van de late twintigste en vroege eenentwintigste eeuw, verpakt in de persoon van Rudolf Keller. In hoeverre maakt hij in kleine kring (zijn gezin) datgene waar waarvoor hij in grote kring (de landelijke politiek) zegt te staan? De gedachte aan de affaire-Rob Oudkerk is hierbij natuurlijk niet ver weg. Bram is aan Rudolfs aandacht ontsnapt, terwijl het met zijn dochter Evi ook al niet voorspoedig gaat: na carrière te hebben gemaakt in de Amsterdamse dancewereld is ze nu een wrak met een drugsverslaving en psychische problemen.

Interessant is dat het er bij Simons niet dik bovenop ligt hoe we over het lot van de familie Keller moeten denken. Ik bedoel: de inzet is dus ethisch van aard, De Hollandse droom is evident een zedelijk getinte roman, maar meer in de zin van een presentatie van koude feiten dan van vingerheffingen. Kort door de bocht geredeneerd is de babyboomer Rudolf hypocriet en zijn de millennials Evi en Bram ontaarde genots- en goudzoekers.

Schrijnende taferelen

De meest schrijnende taferelen betreffen overigens Rudolfs affaire met Houda, een Marokkaans-Nederlands meisje dat al als kind bij de Kellers over de vloer kwam. Simons maakt heel knap invoelbaar hoe ontzettend vervreemdend het is – voor Houda, voor Rudolf, maar ook voor de lezer – om een verhouding van piggyback, koekjes bij de thee en puntig geformuleerde levensadviezen getransformeerd te zien in met champagne besprenkeld geneuk in een Vinkeveens buitenverblijf. En erg slim is ook dat hij Houda en Rudolf van elkaar laat houden. Het wordt er alleen maar ongemakkelijker van.

Daarbij moet wel worden gemeld dat De Hollandse droom een roman van uiteenlopende kwaliteit is. Dat een jonge schrijver het aandurft om zich ernstig te buigen over een tijd en de mensen die er in rondlopen verdient hoe dan ook een compliment, en bovendien is ook de compositie waarin dit allemaal is verwerkt behoorlijk uitdagend. Maar dit is óók een oeverloze roman, een waarin een schrijver te veel ruimte geeft aan taferelen en mensen. Neem Evi, een figuur met wie je best te doen hebt, maar die ook voortdurend hele einden weg kletst over die uitgaanswereld, zonder dat je daarbij de indruk krijgt dat daar meer achter schuilgaat dan de roes van de gedachteloosheid.

De aantrekkelijke soberheid van Simons’ eerste twee romans begint hem een beetje op te breken, lijkt het, hij zal strenger voor zichzelf moeten zijn: niet in het vangen van de tijd, dat zit wel goed, maar in de weergave ervan. Of hij moet een strengere redacteur in de arm nemen.