Opinie

In isolement beleef je het leven anders

Michel Krielaars

‘We waren in ballingschap: onze stad was ver weg, en ver weg waren onze boeken, onze vrienden, de verschillende en veranderlijke gebeurtenissen van een echt bestaan.’ Die zin las ik in het autobiografische verhaal ‘Winter in de Abruzzen’ van de Italiaanse schrijfster Natalia Ginzburg. Het staat in de bundel Mensen om mee te praten en is een van de mooiste verhalen die ik ken, omdat in slechts zeven bladzijden wordt verteld hoe het is om afgesneden te zijn van het normale leven. Het overkwam haar toen ze samen met haar man Leone Ginzburg vanwege hun antifascistische activiteiten uit Rome werd verbannen naar het afgelegen dorp Pizzoli in de Abruzzen. Met hun kinderen zouden ze er van 1938 tot juli 1943 wonen, in een nauwelijks te verwarmen huis met een lekkend dak. Na de val van Mussolini keerden ze terug naar Rome, waar ze hun verzetsactiviteiten voortzetten, maar nu tegen de nazi’s die in september 1943 Italië waren binnengevallen. Leone werd een paar maanden later gearresteerd en in de Regina Coeli-gevangenis doodgemarteld.

Tot die dramatische gebeurtenis had Natalia Ginzburg vertrouwen in, zoals ze schrijft, ‘een gemakkelijke en blijde toekomst, rijk aan vervulde wensen, ervaringen en gezamenlijke ondernemingen.’ Daarna moet haar leven een tijd leeg zijn geweest, tot ze de pen weer oppakte en een schitterend oeuvre bij elkaar schreef. Ik herlees het regelmatig om er steeds weer iets nieuws in te ontdekken en verbijsterd te staan over haar tijdloze verbeeldingskracht.

In ‘Winter in Abruzzen’ bekent Ginzburg dat ze haar ballingschap pas na de dood van haar man op waarde kon schatten. Tot die tijd zijn het vooral de ontberingen in het dorp met zijn primitieve, straatarme inwoners die haar humeur bepalen. Zo schrijft ze: ‘Wanneer de eerste sneeuw begon te vallen, maakte een trage droefheid zich van ons meester.’ En: ‘Het heimwee in ons groeide met de dag.’ Soms verandert dat heimwee zelfs in een, zoals ze later toegeeft, onterechte haat jegens de opdringerige dorpsbewoners, die de Ginzburgs voortdurend om wijze raad komen vragen. En dan is er ook nog het klimaat, dat alleen maar warme, stoffige zomers en koude, vochtige winters kent. Aan het einde van zo’n winter hoopt ze altijd weer dat er een vriend op bezoek komt en er eindelijk iets gebeurt. Maar er gebeurt niets.

Bijzonder aan dit betoverende verhaal is dat Ginzburg op zo’n moment van verlangen beseft dat die ‘opeenvolging van hoop en heimwee’ ieders lot is. Ook schrijft ze: ‘Dromen worden nooit waarheid en zodra we ze in stukken zien vallen, begrijpen we ineens dat de grootste vreugden van ons leven buiten de werkelijkheid staan.’

Terugblikkend op die jaren van ballingschap beseft ze dat ze in dat afgelegen dorp de beste tijd van haar leven heeft meegemaakt. Er was volop aandacht voor het kleine, voor alles wat eerst onbelangrijk leek. En dan waren er de wrede verhalen die de dorpsbewoners haar vertelden. Verhalen die ze thuis in Rome nooit zou hebben gehoord. Het doet me sterk aan het coronagevoel denken: ineens krijg je aandacht voor dingen, waarvan je niet meer wist dat ze bestonden, zoals stilte in de stad. Misschien kijken daarom ook wij straks op deze onwezenlijke tijd terug als de beste van ons leven.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.