Reportage

In de knik van de flat had Tommy geen rust

Hoe beïnvloedt corona levens in de L-flat in Zeist? Bewoner Tommy gaat ergens anders wonen na jarenlange pesterijen. Zelfs corona leidde de pesters niet af. Tekst
Foto Daniel Niessen

Lees de online versie van dit artikel op nrc.nl/deflat-corona

Tommy (51) woont sinds 2007 in de L-flat en hoopte er oud te worden. Hij vindt zijn appartement fijn want ruim. Maar volgende week zaterdag verhuist hij. Hij is de pesterijen zat. Zelfs in virustijd laten zijn plaaggeesten hem niet met rust.

Een bovenbuurvrouw, type straatvechter, zegt: „Je moet de pestjongens van de flat een grote bek geven. Anders pákken ze je.”

Tommy is niet van de grote bek. Hij is aardig. Te aardig, kun je zeggen, voor iemand die woont waar hij woont.

In de ‘knik’, daar waar de L-vormige flat zijn hoek maakt, zit de enige onderdoorgang van het gebouw. Eén tunneltje, in vijfhonderd meter flatbeton. Het is de snelste weg naar de bushaltes en basisschool voor iedereen van portiek vier tot en met acht. Dat zijn zo’n duizend mensen.

Tommy woont naast het tunneltje. Op de begane grond. Drommen passeren zijn voordeur dag na dag. Corona heeft de drukte wat gedempt, het getik van vrouwenhakken is niet langer zijn wekker, maar in de knik is rumoer nooit ver weg.

Kinderen bekwamen zich er in kattekwaad. Straffeloos klepperen ze aan zijn brievenbus. Ze zoeven de tunnel in en foetsie zijn ze. Eén keer bleef een dader maar klepperen. Tommy sloop door de gang en zwaaide zijn voordeur open - hebbes! Stond daar een peuter, z’n moeder glimlachend naast hem. „Mijn kindje wil even spelen”, zei ze.

Het raamglas in Tommy’s voordeur is mat. De gordijnen aan de straatzijde heeft hij dichtgeschoven. Wasknijpers houden de gordijndelen bijeen. Toch dringt de buitenwereld binnen. Het doffe geknal van een voetbal tegen zijn muur. Glasscherven door zijn gang toen een bal een paar jaar geleden door zijn deurraam vloog.

Vanaf vorig jaar zomer werden de pesterijen ernstiger. Smurrie op zijn raam van yoghurt en kapotgegooide eieren. Gebonk op zijn keukenraam. Lege melkpakken voor zijn deur, oude schoenen, een kapotte kinderfiets. De daders waren jonge jochies. Negen, tien, twaalf oud.

Kon hij ze niet bij de kladden grijpen? Verhaal halen bij de huismeester van de flat?

Appeltje eitje, voor fitte, mondige, burgers.

Niet voor Tommy.

Fit is hij sinds zijn tiende niet. Een auto schepte hem in Hong Kong, zijn geboortegrond. Hij lag negentien dagen in coma. De linkerhelft van zijn lijf is verzwakt. Hij loopt moeilijk, ziet wazig met links, zijn geheugen hapert.

Hij emigreerde naar Nederland met zijn familie op zijn dertiende. De nieuwe taal was een beproeving. Hij rondde het lbo af. Nog voor zijn dertigste keurde de dokter hem af. De ziektewet lonkte, maar Tommy boende liever kantoren. Hij deed dat ruim twintig jaar. „Ik werkte heel hard.” Zijn lijf weigert sinds een paar jaar definitief dienst. Versleten knie, slijmbeursheupen, een hernia. Achter kwajongens aansjezen? Een no-go.

Hij riep de kinderen na dat hij de politie ging bellen – ze lachten hem uit. Hij liep de deur niet plat bij de huismeester - hij schreef liever een brief.

De bovenbuurvrouw schoot te hulp. Zij rammelde wél aan de deur van de huismeester.

De wijkagent kwam erbij. Ze plozen camerabeelden uit en klopten op de deuren van de ouders van de jongens. De helft van de ouders zei: zoiets doet mijn kind niet. Pas toen ze de beelden kregen voorgeschoteld, namen ze de waarschuwing van de wijkagent serieus.

Het pesten stopte. Maar het kwaad was geschied. Tommy wilde weg. „Ik zit hier gewoon bang thuis”, zei hij in zijn huiskamer kort voordat corona uitbrak. Wijkteam en wooncorporatie gingen hem helpen elders een nieuw apppartement te vinden, vertelde hij. Een verhuizing binnen de L-flat zag hij niet zitten. „Die kinderen kunnen gewoon door de hele flat heen.”

Vorige week aan de telefoon had Tommy nieuws. De nieuwe woning was eindelijk gevonden, hij had de sleutel net. Over corona deed hij luchtig. Een bijzaak, voor hem. De wereld op z’n gat: het zal. „Mijn nieuwe buurman is aardig.”

De pesterijen in de flat zijn opgeflakkerd de laatste weken, vertelde hij. Nachtelijk gebons op zijn ramen eind april. Begin mei hard geklop of geschop op de voordeur. Een week later, rond drie uur ’s nachts, haalde zijn ringtone hem uit zijn slaap. Op zijn scherm zag hij de naam van een flatbewoonster. Hij nam op en hoorde een meisjesstem. „Corona! Corona!”. Gevolgd door plagerig gegiechel.

Huismeester Said Arab weet van de pesterijen maar voelt zich machteloos. „Het zijn jonge kinderen. Optreden is moeilijk. Ik weet niet eens of het dezelfde kinderen zijn als eerder.”

Over een week is het probleem opgelost. Tommy zal weg zijn en een nieuwe bewoner zal er niet komen want „dan kun je dezelfde problemen krijgen”, aldus de huismeester. In het appartement komt een kantoor, voor maatschappelijke instellingen. Vanuit Tommy’s oude woning zullen ze zich bekommeren om kwetsbare bewoners.