Opinie

Het oordeel van Karlsruhe kent enkel verliezers

Het Duitse Constitutionele Hof tast het gezag aan van Europese instituties en van zichzelf, stelt .
Rechters van het Duitse Constitutionele Hof in Karslruhe, hier in 2016.
Rechters van het Duitse Constitutionele Hof in Karslruhe, hier in 2016. Foto Ralph Orlowski/Reuters

In zijn inmiddels veelbesproken uitspraak over de Europese Centrale Bank (ECB) maakte het Duitse Constitutionele Hof in Karlsruhe gehakt van de motivering van haar opkoopprogramma uit 2015 en de eerdere goedkeuring daarvan door het Europees Hof van Justitie. Dit programma, waarmee de ECB grote hoeveelheden staatsobligaties opkoopt om de inflatie in de eurozone aan te zwengelen, staat nu op losse schroeven.

In zijn uitspraak toont het Duitse Hof weinig besef van zijn rol, en de grenzen daaraan, in het Europees constitutioneel bestel. Dat is schadelijk voor het gezag van de ECB en van de Europese rechter, maar bovenal voor dat van het Duitse Hof zelf.

Het Duitse Constitutionele Hof waardeert de onafhankelijkheid van de ECB geheel anders dan begin jaren negentig, toen het oordeelde over het Verdrag van Maastricht, waarmee de euro in het leven werd geroepen. Destijds stemde het in met de invoering daarvan, op voorwaarde dat de muntunie een Stabilitätsgemeinschaft zou zijn, een gemeenschap geënt op stabiliteit. De onafhankelijkheid van de ECB bood hiervoor een belangrijke waarborg. Maar deze onafhankelijkheid beoordeelt het Duitse Hof nu als problematisch. Zij zorgt ervoor dat de ECB „handelt op basis van een lager niveau van democratische legitimatie”. De grenzen van haar mandaat moeten daarom strikt worden geïnterpreteerd.

Lees ook: Duitse rechters zetten de Bundesbank klem tussen het Europese recht en het Duitse recht

De grenzen van het ECB-mandaat

Het gevolg is dat het Duitse Hof op vergaande wijze het opkoopprogramma toetst. De ECB zou disproportioneel hebben gehandeld door in de motivering ervan onvoldoende oog te hebben voor nadelige economische effecten. Karlsruhe eist nu van de ECB dat zij haar motivering binnen drie maanden aanpast. Zo niet, dan dient de Duitse Bundesbank medewerking aan het programma te staken.

Die aangepaste motivering zal er hoogstwaarschijnlijk wel komen. Grote kans dus dat het opkoopprogramma blijft bestaan. Maar de schade aan publiek gezag in Europa is allerminst gering.

Allereerst het gezag van de ECB. Dat gezag is nauw verbonden met haar onafhankelijkheid, die is verankerd in het mandaat van de ECB. De Europese verdragen definiëren dit mandaat slechts in beperkte mate. Ze vereisen dat de ECB haar monetaire beleid primair richt op prijsstabiliteit, maar laten de invulling hiervan grotendeels over aan de ECB zelf. Juist aan deze vrijheid om prijsstabiliteit te definiëren, en de daarvoor benodigde strategie te bepalen, ontleent de ECB voor een aanzienlijk deel haar onafhankelijkheid. De eurocrisis is illustratief. Op het hoogtepunt daarvan, in 2012, kondigde Mario Draghi in volle onafhankelijkheid aan dat de ECB binnen haar mandaat „alles zou doen wat nodig was” om de euro te borgen. Met het opkoopinstrument dat hierop volgde won de ECB enorm aan gezag tegenover de financiële markten.

Het Duitse Hof tast dat gezag aan. Het stelt enkel de grenzen van het mandaat van de ECB streng te willen bewaken; binnen die grenzen kan de ECB onafhankelijk monetair beleid voeren. Maar die redenering is hoogst problematisch. De ECB is in grote mate vrij in de vaststelling en uitvoering van haar mandaat. Een rechter die de precieze grenzen van dat mandaat wil vaststellen, kan dat daarom enkel doen door ook het gevoerde beleid te beoordelen. Door de motivering van het opkoopprogramma inhoudelijk vol te toetsen tornt het Duitse Hof dus aan de onafhankelijkheid van dat beleid. Bovendien verordonneert het de Duitse regering en parlement de ECB ertoe te brengen deze motivering te wijzigen. Ook dat valt niet te rijmen met haar onafhankelijkheid.

Lees ook: Wil de echte hoogste rechter in Europa opstaan?

Tanend gezag van het Europese Hof

Juist met het oog op de onafhankelijkheid van de ECB, had het Europees Hof van Justitie eerder in de zaak het opkoopprogramma terughoudend getoetst en toelaatbaar geacht. Op die toetsing valt best wat af te dingen. Maar Karlsruhe gaat daarin veel te ver. De redenering van het Europees Hof is volgens de Duitse rechters „methodologisch onbegrijpelijk” en daarmee niet gedekt door zijn mandaat in de verdragen om het Europees recht te interpreteren. Dit is koren op de molen van populistische politici, die het gezag van het Europees Hof toch al betwisten. Dit geldt in het bijzonder voor Polen, dat al meerdere malen door het Europees Hof is berispt wegens ondermijning van de rechtsstaat.

Het Duitse Constitutionele Hof tast ook zijn eigen gezag aan. Door zijn Europese collega een veeg uit de pan te geven, lijkt het ferm te handelen. Maar in feite past zijn uitspraak in een lange reeks van laatste waarschuwingen aan de Europese Unie. Het zet telkens hoog in, maar als het erop aankomt blaast het snel de aftocht, wetend dat het anders zijn hand overspeelt. Dat is schadelijk voor zijn gezag, in Duitsland en daarbuiten. Nog niet zo lang geleden klonk dat besef ook in Karlsruhe. Toen het Duitse Hof moest oordelen over het opkoopinstrument van de ECB uit 2012, waarschuwde toenmalig rechter Lübbe-Wolff voor misplaatste grootspraak in zaken waarvan het belang evident voorbij de grenzen van Duitsland reikt. In zulke zaken, oordeelde ze, spreekt het niet „voor een besluit van de rechter dat dit hem de mogelijkheid openlaat om later woordenrijk terughoudendheid te oefenen”. Met zijn ultimatum aan de ECB, waarmee het de optie behoudt het opkoopprogramma uit 2015 alsnog goed te keuren, doet het Duitse Hof precies dat.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.