Opinie

Er is (bijna) niets mis met de universiteiten

Column Aan de universiteiten ziet Harald Merckelbach in deze tijden veel inventieve improvisatie, die bij studenten in vruchtbare aarde valt.

Harald Merckelbach

Welke rangorde van de wereldwijd 17.000 universiteiten je er ook op naslaat, die van Nederland behoren bijna altijd tot de kopgroep. Opmerkelijk. Want binnen de top-2 procent van beste universiteiten concurreren de Nederlandse instellingen met puissant rijke universiteiten in vooral de VS en het Verenigd Koninkrijk. Bij wijze van voorbeeld: het budget van alle Nederlandse universiteiten samen past een paar keer in dat van Harvard. En ook: universiteiten als Harvard kunnen hun studenten veel meer selecteren dan de Nederlandse universiteiten.

En toch doen onze universiteiten het dus uitstekend. Dat is des te opvallender als je bedenkt dat de overheid over het afgelopen decennium de financiële kaders voor het universitaire onderzoek nooit wezenlijk heeft verruimd. Ondertussen leiden de Nederlandse universiteiten steeds meer studenten op – hun aantal groeide van 250.000 in 2014 tot voorbij de 300.000 in 2019. Daaronder bevinden zich in toenemende mate buitenlandse studenten: de uitstekende kwaliteit van de Nederlandse universiteiten raakt ook buiten de landsgrenzen bekend.

Gemotiveerde vaklui

Het succes van de Nederlandse universiteiten drijft op de toewijding en bevlogenheid van wetenschappers. Het zijn intrinsiek gemotiveerde vaklui die je makkelijk kunt vragen om nog eens een extra werkgroep hier te draaien of een bijkomend college daar te geven. Dat doen ze wel, als het moet zelfs in hun vrije tijd. De reden is simpel: ze vertellen graag over hun vak en waarom dat zo fascinerend is. Maar langzamerhand komen de grenzen in zicht en vragen steeds meer wetenschappers zich af of de bureaucratische evaluatiezucht waarmee onderwijs en onderzoek is omgeven niet in de weg staat van waar het allemaal om te doen is: academische vorming.

Academische vorming klinkt vaag, maar is in de kern eenvoudig uit te leggen. Een mooie poging daartoe trof ik aan bij de Amerikaanse chirurg en publicist Atul Gawande. In een toespraak voor studenten betoogde hij dat we allemaal zo onze intuïties hebben: dat de zon om de aarde draait, dat vaccinaties autisme veroorzaken, dat genetisch gemodificeerde gewassen schadelijk zijn, dat er geen klimaatprobleem is en nog zo wat dingen. Academische vorming is als je weet hoe je zulke intuïties de maat moet nemen: het bestaat uit scepticisme, opschorten van al te haastige oordelen en een door feiten gedisciplineerd voorstellingsvermogen. Academische vorming is gericht op het aanleren van een argumentatieve houding eerder dan op het oplepelen van tentamenstof.

Ankerpunt van het onderwijs

Onder de titel De ideale universiteit publiceerde de emeritus hoogleraar wetenschapsgeschiedenis Floris Cohen onlangs een pamflet dat gaat over hoe die academische vorming weer meer tot ankerpunt van het universitaire onderwijs kan worden gemaakt. Het aardige aan zijn boekje is dat het geen klaagzang is over de hoge werkdruk aan de universiteiten, maar een enthousiast pleidooi voor een andere aanpak.

Aan zijn ideale universiteit leren alle studenten behalve vakkennis ook hoe ze kritisch moeten lezen, hoe ze systematisch moeten nadenken en hoe ze helder moeten schrijven. De scholing in die vaardigheden wil Cohen in handen leggen van de Geesteswetenschappen samen met het bureau Studium Generale. Voor het overige hebben wetenschappers vergaande autonomie in de wijze waarop ze hun onderwijs gestalte willen geven en worden evaluerende instanties als de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) afgeschaft. Die NVAO neemt nu de periodieke kwaliteitscontrole van het hoger onderwijs voor haar rekening. De bureaucratische druk van deze instantie op wetenschappers is, zo schrijft Cohen, een vorm van geïnstitutionaliseerd wantrouwen die geen doel dient. Omdat uit de aard der zaak wetenschappers graag mooi onderwijs aan hun studenten geven.

Digitale cafés

Ik las Cohens boek op de dag dat het kabinet de universiteiten vroeg om de deuren te sluiten en enkel nog onderwijs op afstand aan te bieden. Dat was op een donderdag en binnen luttele dagen gingen hoorcolleges en seminars massaal online. Natuurlijk werden dingen aangepast, weggelaten en ingekort. Vanzelfsprekend werden tentamens niet langer op de oorspronkelijk aangekondigde manier afgenomen. Het meest interessant waren de digitale cafés waarin docenten en studenten over mooie boeken en artikelen praatten. Met „de reflectieve cyclus voor de duurzame borging van de ontwikkelingsgerichte kwaliteitscultuur” waarover ze bij de NVAO zo hoog opgeven had het allemaal weinig meer uit te staan. Het was een en al inventieve improvisatie, die – voorzover ik kan overzien – bij studenten in vruchtbare aarde viel.

Het illustreert Cohens punt dat wetenschappers best hun eigen boontjes kunnen doppen en dat een ideale universiteit ze daar alle ruimte voor geeft. Ga je gang, doe wat je goed dunkt. Dat is de beste garantie dat er ook echt iets terechtkomt van die brede academische vorming. Enfin, Cohens pamflet verdient het om gelezen te worden. Want hoog in de rangordes staan is geen doel op zich. Niet alles wat telt, kan ook geteld worden.

Harald Merckelbach is hoogleraar rechtspsychologie aan de Universiteit Maastricht.