De stad als kijkdoos

Nu de wijde wereld even dicht zit, onderzoekt Herman Vuijsje zijn heimwee naar de kleine ruimte. Aflevering 3.

Illustratie Rik van Schagen

Het is nu even terug, het gevoel dat ik me herinner uit het Amsterdam van mijn studententijd: de stad als huiskamer, als besloten ruimte met een plafond erboven. Ik heb het nog steeds als in een toren een carillon begint te spelen. Onwillekeurig vertraag ik dan mijn pas, in de huiskamer hoef je je niet te haasten, je bent al thuis! En nu de straten en grachten er verlaten bij liggen, met alleen hier en daar wat groepjes keuvelende mensen, heb ik dat plafondgevoel zodra ik de deur uitkom. Even terug naar de ommuurde stad, waar ’s avonds de poort op slot ging. Beschutting, een simpel leven van gemeenzaamheid.

Iets van dat intieme gevoel vind ik ook terug in de arcades van Zuid-Europese steden als Turijn en Santiago de Compostella: brede gaanderijen, opgetrokken uit graniet van een melancholieke grijze tint, waar je je beschut weet achter robuuste pilaren, onder een zwaar gewelf. Het is er altijd schemerig en koel, ik zou daar wel de hele dag aan een terrastafeltje willen zitten en alle dingen doen die je in je leven doet: vrienden ontvangen, schrijven, eten, peinzen, liefje spelen. Dat mag allemaal, want je bent binnen en buiten tegelijk.

Op mijn oude dag ga ik het echt doen, heb ik me voorgenomen. ’s Ochtends zie je me al aankomen, zoals de oude Immanuel Kant op zijn dagelijkse ommetje over de Königsberger Lindenallee, misschien met kamerjas en slaapmuts op – ik ben toch in mijn eigen zitkamer?

Maar ook toen ik klein was, wekte dit soort gevoelens al een soort nostalgie op. Waarnaar wisten we niet precies, maar wel hoe we het tot leven konden wekken: door het maken van een kijkdoos. Een ouwe schoenendoos, de bodem bedekten we steevast met een laag watten. Uit die witte wade rees een kerkje omhoog, geknipt uit zo’n kitscherige kerstkaart, met zilveren randjes eromheen. Verder een koe met een bel, een mannetje en een vrouwtje, een huisje met een schoorsteen waaruit rook kwam kringelen.

Het maken van zo'n doos verliep volgens strakke regels. Het vloeipapier dat als plafond diende, móést bijvoorbeeld geel zijn. Dan kreeg je binnen in de doos het licht van een achternamiddag in december. Nog even en mama zou het raam opendoen, in haar handen klappen, en ons roepen voor het eten. Papa was al thuis, had zich verkleed en wachtte met de krant bij de kachel tot de aardappels en de slavinken gaar waren.

De aantrekkingskracht zat ’m niet alleen in de beperkte omvang van de wereld die je in die doos geschapen had. Ook in het feit dat het een buitenwereld was die tegelijk veilig en besloten was. Er heerste warmte, ondanks die sneeuw.