Laura van Holstein in St. John’s College in Cambridge, bij een eerste editie van The Origins of Species.

Foto Nordin Catic

Interview

‘Darwin kon geen data uitpluizen, wij wel’

Laura van Holstein | promovendus biologische antropologie Laura van Holstein beschouwt planten als aliens die „hun middelvinger opsteken naar onze categorieën”.

‘Het lelijke eendje van de biologie”, noemt Laura van Holstein (24) het onderwerp waar zij zich als promovendus in vastbijt: ondersoorten. Dieren of planten van eenzelfde soort die vruchtbare nakomelingen met elkaar kunnen krijgen, maar genetische en uiterlijke verschillen vertonen en in niet overlappende leefgebieden wonen, zoals Bengaalse en Siberische tijgers. „Als je over soorten begint, zijn mensen vaak enthousiast. Dan beginnen ze over Darwin, de evolutietheorie... Maar bij ‘ondersoorten’ wordt hun blik wazig. Dat concept vinden ze te onsexy, te vaag.”

En dat terwijl Charles Darwin in The Origin of Species juist ook over ondersoorten schreef. Hij formuleerde er zelfs een hypothese over: dat geslachten met meer diersoorten ook meer ondersoorten kennen. Dat die theorie in grote lijnen klopte, bevestigden Van Holstein en haar collega Robert Foley met behulp van data-modellering. Hun resultaten verschenen in maart in Proceedings of the Royal Society B. „Als je naar het geheel kijkt, dan is er inderdaad een correlatie in taxonomische rijkdom tussen soorten en ondersoorten. Maar het blijkt wel uit te maken of een soort kan zwemmen of kan vliegen”, vertelt ze via Skype vanuit haar kamer op het St. John’s College in Cambridge. „Bij vleermuizen en walvissen is die samenhang tussen aantallen duidelijk aanwezig. En bij vogels ook, blijkt uit eerder onderzoek. Maar op het land levende zoogdieren worden in hun evolutie in veel grotere mate beïnvloed door boundaries.” Al sinds haar zesde woont Van Holstein buiten Nederland en af en toe schakelt ze even over op Engels. „Voor die terrestrische soorten is de aanwezigheid van een geografische barrière een grote doorslaggevende factor in het al dan niet ontstaan van soorten en ondersoorten.”

'Het blijkt wel uit te maken of een soort kan zwemmen of kan vliegen'

Wat ís een soort precies?

„Daar zijn tientallen definities voor. Voor soorten wordt veel gebruik gemaakt van het biological species concept, BSC, waarbij voortplanting centraal staat: kunnen twee individuen samen vruchtbare nakomelingen produceren? Maar het lastige is dat je het BSC bijvoorbeeld niet kunt toepassen op dinosauriërs omdat die al zijn uitgestorven. En dus zijn er onder andere ook het morphological species concept – gebaseerd op de vorm van soorten – en het recognition species concept. In dat laatste geval ga je ervan uit dat iets een soort is als dieren elkaar herkennen als soortgenoten. Een chihuahua kan in een Deense dog een hond herkennen, en andersom, dus behoren ze tot dezelfde soort.”

Specifieker: wat is een ondersoort?

„Een ondersoort is een afgebakend stukje van een soort, dat zowel genetisch als uiterlijk herkenbaar is als aparte unit. Zo’n ondersoort moet een eigen range hebben, een eigen leefgebied. Zoals de nu in het wild uitgestorven noordelijke witte neushoorn die op savannes in Oost-Afrika leefde, en de zuidelijke witte neushoorn in het zuiden van Afrika. Als je genoeg tijd hebt dan kan uit zo’n ondersoort een soort ontstaan. In die zin is een ondersoort een eerste stap in soortvorming. Maar het onderscheid is fuzzy. Bij biologen is er tegenwoordig veel twijfel, omdat veel ondersoorten al ver voor de intrede van de moleculaire genetica zijn vastgesteld .”

Van Holstein tekent op een oud belastingaangiftebiljet een grafiek met een diagonale lijn. „Je zou kunnen zeggen: de x-as representeert het genotype, het geheel aan erfelijke eigenschappen, en de y-as het fenotype, het uiterlijk. Een ondersoort wordt een soort voorbij een bepaald punt op die lijn, waar genotype en fenotype ver genoeg veranderd zijn ten opzichte van de uitgangspositie – het nulpunt van de grafiek. Maar dat is een geleidelijk evolutionair traject.”

'Je zou kunnen zeggen dat een regenboog zeven kleuren heeft, maar daarmee doe je tussenliggende schakeringen teniet'

Zo’n onderscheid in soorten en ondersoorten is dus best arbitrair.

„Ja, maar dat geldt wel voor meer dingen. Denk aan een regenboog. Je zou kunnen zeggen dat die zeven kleuren heeft, maar daarmee doe je tussenliggende schakeringen teniet. Het is eerder een continuüm, en dat geldt wellicht ook voor ondersoorten en soorten. Ik krijg vaak de vraag: bestaan er menselijke ondersoorten? Maar mensen zijn geen statistically separatable clumps. Individuele personen verschillen uiterlijk op allerlei vlakken van elkaar – haarkleur, oogkleur, lengte, huidskleur, er zijn overal graduele verschillen – en vertonen genetisch juist veel overeenkomsten. Ondersoorten van chimps, bijvoorbeeld, zijn genetisch veel diverser.”

Op welke manier spelen de grenzen die je eerder noemde een rol?

„Ik pak weer even dat tax form erbij hoor. Kijk, als ik die doormidden vouw, dan heb je een fysieke grens. Laten we zeggen: een bergketen. Daar kunnen vleermuizen overheen vliegen, maar landdieren zitten aan weerszijden gevangen. Zo ontwikkelen die minder mobiele dieren zich na verloop van tijd tot twee ondersoorten, en uiteindelijk tot twee verschillende soorten. Voor hen is de aan- en afwezigheid van barrières de bepalende factor bij soortvorming, méér dan de beschikbaarheid van ondersoorten. Maar bij vleermuizen, en bijvoorbeeld bij vogels en walvissen, worden de grenzen tussen ondersoorten opeens wel doorslaggevend. Dat zijn dus onzichtbare grenzen, bijvoorbeeld tussen twee populaties die van elkaar gescheiden leven maar wél nog bij elkaar kunnen komen.

„Die brede blik op evolutie vind ik boeiend. Ik ben niet geïnteresseerd in een enkel takje van de tree of life, maar in de hele boom. Het was niet zo dat ik Darwins theorie over ondersoorten las en dacht ‘holy shit, dit is nog niet bevestigd’. Maar Darwin had nooit data om uit te pluizen en wij wel.”

'Bij planten kan evolutie supersnel plaatsvinden: twee extra chromosomen en shit, je bent een nieuwe soort'

Hoe zit het bij planten? Die steken niet snel fysieke grenzen over.

„Als biologisch antropoloog beschouw ik planten als aliens die hun middelvinger opsteken naar onze categorieën. Neem paardenbloemen. Die kennen volgens de meest recente indeling 250 microsoorten – soorten die genetisch identiek zijn, maar uiterlijk van elkaar verschillen. Bij planten kan evolutie supersnel plaatsvinden: twee extra chromosomen en shit, je bent een nieuwe soort.

„Of denk aan ongewervelde dieren. Ik heb net een boek van Menno Schilthuizen gelezen, Darwins Peepshow, over slakjes die per ongeluk een slakkenhuis hebben met een spiraal dat de verkeerde kant op draait, en dan wil geen enkele slak meer met ze paren. Dát is pas spectaculair.”

Je hoopt dat meer aandacht voor ondersoorten gaat bijdragen aan natuurbehoud. Hoe zie je dat voor je?

„Ondersoorten zijn niet gewoon random populaties, je kunt ze als toekomstige soorten zien. Dus in plaats van alleen te focussen op soorten die al gigantisch lang bestaan, kunnen we ook vooruit kijken om het behoud van biodiversiteit veilig te stellen. Er bestaan al manieren om de snelheid van uitsterven te berekenen aan fylogenetische stambomen – dus schematische weergaves van verwante biologische organismen – maar die focussen op soorten. Ik zou zo’n zelfde methode willen ontwikkelen voor ondersoorten. Een stamboom waarbij ook alle zijtakjes waarde hebben.”