Foto’s Andreas Terlaak

Interview

‘Dan stort de boel in. En dan? Stukje typen?’

Wat maakt het leven de moeite waard? Dichter Radna Fabias houdt niet van te veel abstract geklets. „Ik wil de details die betrekking hebben op het lichaam.”

Hoe het met haar gaat, vraag ik aan de telefoon. Dichter Radna Fabias (1983) zit alleen thuis in Utrecht. „Al mijn vrienden zijn zinnen op schermen geworden”, zegt ze. „Iedereen vraagt hoe het gaat. Als ik het al weet, kost het me moeite dat onder woorden te brengen, ik kan het vaak alleen voelen.”

Dichters worden geacht wat ze voelen onder woorden te kunnen brengen maar zo werkt het niet. Gedichten, en dat geldt zeker ook voor die van Fabias, zijn niet de neerslag van gevoelens – het zijn gemaakte teksten, de resultaten van materiaal verzamelen, ordenen, vormen. En van schrappen en zwoegen en verzinnen – en formuleren en bij dat alles proberen niet te vergeten waar het ook alweer om begonnen was. Dan schrijft iemand bijvoorbeeld dit: „angst dempt schoonheid/ dat werpt weer licht op waarom schoonheid schaars is”.

Radna Fabias moet wel de succesvolste dichterdebutant ooit geweest zijn. Haar bundel Habitus, uitgekomen in februari 2018, werd opvallend goed ontvangen en bekroond met vijf prijzen. Haar leven stond volstrekt op zijn kop. In oktober 2019 besloot ze dat ze een poos onzichtbaar wilde zijn. Ze wilde schrijven. En even lukte dat ook, de stilte en de afwezigheid in de media en op podia werkte.

En toen kwam die coronacrisis. Alleen nog contact via het scherm. Niet meer naar haar moeder. Dan gaat ze heus geen gedicht voor haar moeder schrijven, zegt ze: „Misschien is de kunst nu om creatieve kracht in te zetten voor de productie van iets anders dan kunst.” Ze formuleert precies en vaak met voorbehoud. Als iemand die veel met zichzelf in gesprek is.

En werkt ze ook?

„Inmiddels wel, maar ik houd moeite met het gegeven dat ik schrijf. Het heeft geen helder nut. Dat heeft het nooit gehad. Als je bedenkt wat deze crisis betekent voor mensen in precaire situaties…”

Dat gevoel geeft schrijven, maar lezen niet.

„Nee. Ik haal zelf ook veel uit het lezen. Nu vooral poëzie. En essays. Soms moet ik huilen om de poëzie die ik lees en dat is goed.”

Waarom is dat goed?

„Dat is een fysieke ervaring. Als er veel onzekerheid is, is het fijn dat verdriet even een uitgang heeft. Ik huil soms ook na een gesprek of omdat ik een heel groot niet-weten voel dat ik nog geen plek kan geven.”

Wat is dat niet-weten?

„Er is niet-weten wat te doen voor verdrietige en zieke dierbaren. Niet-weten hoe lang dit duurt, hoe alles straks wordt. Er is eenzaamheid, huidhonger, het gemis van eerdere vanzelfsprekendheden. Er is financiële onzekerheid, de reële mogelijkheid dierbaren te verliezen, twijfelachtige pogingen dat te voorkomen, het gegeven dat je aanwezigheid een ander in levensgevaar kan brengen. Ik weet vaak ook niet hoe me tot allerlei mensen en hun angsten te verhouden.”

Ze bemerkt een grote discrepantie tussen al dat voelen en de manier waarop er gesproken en geschreven wordt. In die abstracte beschouwingen zit „een zekere lulligheid” als je geconfronteerd wordt met iets echts, zegt ze. Niet alleen nu trouwens. Ze vertelt over een literair bezoek aan Zuid-Afrika. Op straat waren duizenden vrouwen na de zoveelste gruwelijke moord aan het demonstreren. Ze ging met een taxi in Kaapstad naar het theater waar een lezing werd gehouden over ‘dystopie in de literatuur’ („Dat gegeven!”). „Ik stapte uit en het eerste wat een politieagent vroeg was: ‘Oh jullie komen voor het feestje?’ Hij bedoelde de demonstratie.”

Ik denk soms dat het nu subversiever is om te zwijgen

Radna Fabias

We vergeten wel eens hoe comfortabel en veilig we het hebben, vindt ze. Ze wil niet zeggen dat comfort en veiligheid niets waard zijn, zeker niet, en ook niet dat pijn echter is dan andere ervaringen of dat leed meer recht van spreken geeft, maar comfort doet wel iets met de manier waarop we ervaren en beschouwen.

Leidt comfort tot een gebrek aan ervaring?

„Ik denk soms dat er hier zo veel comfort is dat we ons verliezen in abstracties. Ik keek naar de eerste toespraak van de minister-president over de coronamaatregelen. Bij de aansluitende talkshow vroeg men meteen ‘wat vond jij ervan?’. Iemand was verrukt over de dramaturgische lijn in die toespraak. Hup, gelijk naar de vorm. Het ging niet over fictie, hè. Als er gezegd wordt: ‘het wordt moeilijk voor mensen met een kwetsbare gezondheid’, dan betekent dat: deze mensen moeten worden opgesloten, als ze toch naar buiten gaan, kunnen ze sterven. Dát is de betekenis voor het lichaam. Als je even niet oplet, stijg je op en gaat het over dramaturgie of Ruttes vaderlijke toon.”

Verlies je niet in abstracties

Wil je zelf met je poëzie juist wel concreet zijn?

„Ja, ik zoek manieren om tussen abstractie en vlees te bewegen. Ken je dat werk van Magritte, The art of living? Dat oranje hoofd, meer een ballon met een gezicht dan een hoofd, eigenlijk. Zwevend boven een lichaam in pak. Op de achtergrond een bakstenen muur en daarachter bergen. Ik had lang een kopietje daarvan in mijn werkkamer. De laatste weken dacht ik regelmatig aan dat werk. Als ik weer een stuk las over de crisis, de maatregelen of de ‘BV Nederland’. Of als weer iemand in een met voorbeeldige kritische distantie geschreven stuk vond dat we het hoofd koel moesten houden. Dat lukt goed als dat hoofd daar zweeft, ja. Ik wil de details die betrekking hebben op het lichaam. In het algemeen, in de context van crises en zeker in mijn werk. Om niet in die verleidelijke distantie te blijven hangen. Ter herinnering aan wat er op het spel staat.”

De woorden zingen zich anders los van hun betekenis? Dat wordt in poëzie juist vaak nagestreefd…

„Tja. Poëzie. Wat daar nu over te zeggen? Ik houd van hoe literatuur woorden geeft aan het bewegen van mensen door de wereld. Ook het vleselijk lijden. En menselijke lelijkheid. Ik wil daar binnen en buiten de literatuur bij zijn. Ik wil me daar soms aan verwonden. Ik kan dat lang niet altijd aan. Afstand kalmeert mij ook, maar ik wil die vooral als adempauze gebruiken. Als ik poëzie schrijf, probeer ik de vermoeidheid van het dagelijks taalgebruik uit een deel van mijn woorden te trekken. Dat is iets anders dan die afstand.

Lees ook: Waarom we poëzie haten – en waarom dat onterecht is

„En terug naar nu: ik ken iemand uit de risicogroep die in de zorg werkt, een alleenstaande moeder die in een huis met een stuk of acht mensen van verschillende generaties woont. Ze is doodsbang. Voor zichzelf, voor huisgenoten en de mensen die ze beroepsmatig verzorgt. Zie je me al aankomen met ‘houd het hoofd koel, lieverd’? Ik weet vaak niet wat wél te zeggen, maar de gruwelijke details die zij deelt zijn belangrijk. Ik mag van mezelf daar niet van vluchten. Ook als schrijver niet.”

Er wordt nu anders wél gesproken over de lelijkheid van mensen.

„Ja maar veelal in de trant van: ‘ik kan niet geloven dat mensen hamsteren of de waarde van mensenlevens berekenen’ of iets anders waar andermans egocentrisme uit blijkt. Natuurlijk kun je dat wel geloven! Je kunt je ergeren en het tegelijkertijd begrijpen. Ik trek mijn wenkbrauwen op als mensen hun eigen lichamelijkheid en lelijkheid verdringen. Als je je driften, je neiging tot egocentrisme en puberale weerspannigheid erkent en jezelf daar een beetje pijn mee doet, word je misschien gedwongen wat stiller te zijn, minder superieur te blaffen. Maar ja, hoe nuttig is dat? Stel je voor: enkel met stilte reageren op lelijkheid.”

Foto Andreas Terlaak
Foto Andreas Terlaak
Foto’s Andreas Terlaak

Ze benadrukt de concrete en zintuiglijke dingen die ze nu mist. De zee, met alle geuren, kleuren en geluiden. En alles wat je met anderen kunt delen. Een maaltijd. Alle tactiele dingen. Een omhelzing, een kus, een aai, een schouderklopje, seks.

Leven is een opgave, maar er zijn dingen die het draaglijk maken

Wat maakt het leven de moeite waard?

„Ik pruts me er veelal doorheen. En soms tref ik iets wat bevestigt dat dat gepruts de moeite waard is. Onverwachte resonantie. Intimiteit. Leven is een hele opgave, maar als we er toch zijn, zijn er dingen die het draaglijk maken. Vriendschap, nabijheid, schoonheid. Schrijven is voor mij essentieel, maar het is ook een onnozele bezigheid. Je zit een half leven te typen, je af te zonderen, je het jezelf een beetje moeilijk te maken. Dan stort de boel in. En dan? Stukje typen? Ik denk veel na over stil zijn. Ik denk soms dat het nu subversiever is om te zwijgen. En als ik nu zeg, bedoel ik niet enkel nu het crisis is. Er wordt al zoveel gezegd.”

Maar wat kan nu wel?

„Ik zoek nog. Ik denk na over manieren waarop je liefde kunt uitdrukken in tijden van schaarste. Als fysieke nabijheid niet mogelijk is.”

Intimiteit is niet enkel lief

En wat vind je dan?

„Niets groots. Met mijn telefoon een soort interactieve kookshow voor mijn moeder uitzenden. We kletsen, ik kook, toon het resultaat, vertel wat ze kan maken met wat ze heeft, maak grapjes. Of naar buiten om bloesem te filmen voor iemand die niet naar buiten kan. Boodschappen opsturen.

„Ik ken mensen die niet in staat zijn om de communicatie rondom het virus en soms zelfs de veiligheidsinstructies te decoderen, mensen die vatbaar zijn voor nepnieuws, geen toegang hebben tot dingen waar ik wel toegang toe heb. Die mensen hebben mij eerder veel wijsheid geschonken, maar ze zien tegelijkertijd het verschil niet tussen worstelende experts en complottheorieën verspreidende beroemdheden. Ik zoek een taal waarin we elkaar kunnen volgen zonder dat ik de indruk wek alwetend te zijn.

„Ik deel dingen waarvan ik hoop dat die anderen ook raken of helpen. Laatst stelde ik iemand voor om een keer te videobellen zonder te praten. Samen lezen of zo.

„Als het lukt deel ik mijn ontreddering en vermoeidheid. Ik val ook uit. Soms erger ik me aan de frivoliteit van vrienden. Die ergernis is geen veroordeling, die zegt ook veel over mijn frustraties. Hun levens lijken in veel opzichten niet op het mijne. Maar ik ben ook die zak die zegt ‘ik leef niet mee met je kater’. Intimiteit en liefde zijn niet enkel lief.

„Iemand belde me onlangs om te laten zien hoe hij namens mij de zee aanraakte. Dat raakte mij diep.

„Ik heb een altaartje met foto’s van kwetsbare dierbaren. Daar brand ik dagelijks een kaars en heilig hout. Ik weet niet of je wat ik daar doe bidden kunt noemen. Ik ben stil, denk aan ze, voel onmacht. En ik hoop. Zoiets.

„Daartussen schrijf ik. Ondanks alles. Dat is ook liefde.”

Adam spoelt aan

op zondagochtend op het kerkplein
in de stad – het is herfst er ligt blad
het toeval is van overheidswege
afgeschaft – ik raap hem op ik dep hem
droog ik houd hem om hem om hem
heen schrijf ik een zin waarin zijn knapzak past
adam rekt zich uit de verdrinking
heeft hem goed gedaan wat is hij
schoon hij heeft zes maskers hij
draagt er één dat heeft hij mee
uit de woestijn waar hij alleen was toen
intact nog en droog

Radna Fabias, uit: Habitus