Opinie

Baardmannetje

Marcel van Roosmalen

In Het Parool stond dat steeds meer millennials aan vogelspotten doen, het werd de ‘ideale anderhalvemeterhobby’ genoemd. Ik woon in een vogelgebied, als ik de verhalen mag geloven is het zelfs een van de beste vogelgebieden van Nederland. Vanwege de vogels zullen de tentakels van de grote stad dit dorp helaas nooit bereiken, een eventuele metro zal met een grote boog om ons heen worden getrokken.

Het lijkt wel of de vogels ook weten dat ze hier het beleid bepalen. Ze stralen veel meer zelfvertrouwen uit dan de vogels in de stad. In Betondorp zag ik ook weleens een reiger, maar hier zitten ze veel beter in de veren. Ze stralen in alles uit: dit is ons gebied.

Geen idee wat er verder allemaal in het Wormer- en Jisperveld zit, maar het moet bijzonder zijn, want de vogelaars komen van ver naar hier.

Vogelaars hebben iets treurigs over zich, alsof ze niet op zoek zijn naar vogels maar naar zichzelf. Alsof de andere mensen ze de rug toe hebben gekeerd. Ze komen altijd met trein, ze zitten het liefst zo ver mogelijk bij de forenzen vandaan. Bij het uitstappen halen ze extra diep adem, het liefst duiken ze meteen het riet in.

Onder mijn vrienden zitten vogelspotters, hun verhalen daarover interesseren me maar matig. Wat valt er ook te vertellen, behalve dan dat ze een bepaalde soort hebben gespot?

Vorige week kwam een oude studiegenoot uit Nijmegen langs. Ik had me er niet speciaal op verheugd. Hij had via sociale media contact gezocht.

Leuk om mij weer eens te zien, fijn om ons huis als uitvalsbasis voor een vogelspotavontuur te gebruiken. Hij schreef: „En als een conducteur me vraagt of mijn reis essentieel is, antwoord ik met een hartgrondig ‘ja’!”

Lang verhaal kort: hij had amper interesse in ons en na een snelle kop koffie fietsten we samen de veel te lange straat uit richting de boerderij waar ze allemaal aan hun tochten beginnen.

Daar ging hij dan, rubberlaarzen aan, kijker om de nek.

Een halve dag later belde hij.

„Nou”, zei hij, „ik ben weer bij die boerderij.”

Ik er weer naartoe.

„Was het wat?”, hoorde ik mezelf vragen. „Gezien wat je wilde zien?”

Antwoord: „Ik denk een baardmannetje, maar ik weet het niet zeker.”

Daarna: „Dat ga ik thuis lekker uitpluizen.”

Hij zette de reservefiets in de schuur en bleef, vanwege de kinderen, liever niet eten. De volgende dag stuurde hij een mail.

„Ik weet vrijwel zeker dat ik een baardmannetje heb gezien! Hoera!”

Echt millennials, begin er maar beter niet aan.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.