Foto Frank Ruiter

Interview

‘Rouwenden vormen een club’

Lunchinterview Liesbeth Rasker (31), schrijver en reisblogger, maakte een podcast over rouwen. Ze leerde over ‘schoon’ en ‘vuil’ verdriet. „Rouwenden horen bij een club.”

Toen de moeder van Liesbeth Rasker darmkanker kreeg en wist dat ze zou sterven, vroeg ze haar beste vriendin om na haar dood een oogje te houden op haar kinderen. Twee dochtertjes, 5 en 10 jaar oud. Die vriendin, schrijfster Renate Dorrestein, kwam voortaan elke woensdag bij de meisjes en hun vader op bezoek. „We aten met elkaar, daarna lieten zij en ik de hond uit. Dat was óns moment. Zij was mijn neptante, ik haar nepnicht.” Twintig jaar deelden ze elkaars levens, maar toen kreeg Renate Dorrestein slokdarmkanker. Ze overleed in mei 2018, 64 jaar oud. Liesbeth Rasker (31): „Met haar ging mijn moeder nóg een keer dood.”

Dat het voor haar een dubbel rouwproces zou worden, kwam niet echt als een verrassing. „Mensen zeiden: ‘O, dat gaat heftig voor je worden als Renate er straks niet meer is. Jajaja, zei ik, want ik wist wel dat ze gelijk hadden. Maar hoe zoiets moest voelen? Geen idee.” De eerste maand na de dood van Renate: niks aan de hand. Maand twee: „Man met de hamer. Vergeetachtig, moe, labiel. Als een kip zonder kop liep ik door de stad. Het was hartje zomer, bloedheet, ik heb geen keer op een terras gezeten. De man op wie ik net verliefd was geworden, kon ik er niet bij hebben. Ik kon alleen maar alleen zijn.” De rouw was begonnen? „Vaag besefte ik dat dit misschien dan wel rouw was. Maar ik kan mijn emoties nooit zo heel goed koppelen aan gebeurtenissen, dus echt begrijpen wat er aan de hand was, deed ik niet.”

Aan de keukentafel

Nu weet ze: álles wat ze toen voelde, viel onder het hoofdstuk rouw. En ook dat dit „zware, zwarte gevoel” in één klap verdween – ineens kon ze weer écht lachen – bleek volkomen normaal. Ze weet dat, omdat ze inmiddels het plan heeft uitgevoerd dat ze bedacht in die zomer van verdriet. „Ik zocht verhalen over wat rouw, of grief, of loss nou eigenlijk is. Maar waar ik behoefte aan had, bestond nog niet.” Ze heeft een podcastserie gemaakt, Dag voor Dag: zes gesprekken, van elk iets meer dan een uur, met mensen die gerouwd hebben. Ze spreekt, aan de keukentafel, twee vriendinnen van haar moeder, die naast hun vriendin ook hun man, een familielid of hun moeder verloren. Ze praat met leeftijdgenoten die een vader, of een vader én moeder missen. En ten slotte spreekt ze haar vader, 75 jaar, die nog elke dag een kaarsje brandt bij een portret van haar moeder.

Ze geeft de voorkeur aan borrelen boven lunchen. Per WhatsApp stuurt ze me haar locatie: een picknicktafel in een goed verborgen stadstuin aan de rand van Amsterdam. Wijn, kaas, olijven, ze juicht bij alles wat er uit de koeltas tevoorschijn komt. Om ons heen wieden buurtbewoners het onkruid uit de bloemperken. Uit de boomkruin boven ons hoofd valt zo nu en dan wat nattigheid. Water, denken we, geen vogelpoep.

Dit was haar eerste podcast ooit, normaal schrijft ze columns (jarenlang voor Elle), boeken (Solo reizen, Pinnen in Mongolië) en blogs over haar reizen. Nu er niet gereisd kan worden, zien haar 50.000 volgers op Instagram haar vooral thuis bezig, knuffelend met haar kat of klussend aan haar kast.

En óf ze wat herkende in de verhalen die ze opnam. „Rouwenden vormen een club.” Elke rouwende, zegt ze, merkt in gezelschap metéén wie ooit iets is overkomen in het leven en wie niet. „Het is ongrijpbaar, maar waar je bij veel mensen, zeker die van mijn leeftijd, begrip of verdieping mist, weet iemand uit de rouwendenclub nét die vraag te stellen of dát advies te geven waar je wat aan hebt.” Nou mag je rouw natuurlijk niet vergelijken – zij noemt dat leedcompetitie – maar de mensen uit haar podcast waren wel allemaal volwassen toen ze iemand verloren. Zij was 10…

O ja, zegt ze met een lange uithaal. „Dat is to-taal anders. Een kind dat zijn moeder verliest… Dat gemis is onoplosbaar, dat wordt deel van je identiteit. Het zit verankerd in alle hoeken van wie ik ben, het leeft in me.” Hoe dan? „Ik ben altijd op mezelf geweest, een einzelgänger, ook toen mijn moeder nog leefde. Dat is wel versterkt. Uitvergroot.” Als zij het over rouw heeft, dan bedoelt ze de rouw om Renate. „Haar mis ik. Meer, of anders, dan ik mijn moeder mis. Renate kénde ik. Mijn moeder heb ik nooit echt leren kennen. Renate was degene die het meeste over haar wist te vertellen, dat mis ik ook.”

In een van de afleveringen van de podcast legt een vriendin van haar moeder het onderscheid uit tussen schoon en vuil verdriet. Schoon is het als een geliefde overlijdt. Vuil als een geliefde je vrijwillig verlaat. Dat brengt me op iets anders: alle overledenen in de podcast waren iemands dierbaren. Wat als rouw gepaard gaat met tegenstrijdige gevoelens over de overledene? Dat, zegt ze, wil ze graag uitzoeken in deel twee van de serie. Om daarna vast te stellen dat zij alleen normale rouw heeft gekend en sowieso „een heel fijn rouw-umfelt” had. Voor een deel kwam dat doordat de dood steeds aangekondigd was. „Mijn moeder was anderhalf jaar ziek, Renate wist het ook ruim van tevoren.” Voorarrest, noemt haar vader dat. Tijd die haar moeder benutte om alles wat ze niet meer zelf aan haar dochter kon vertellen, vast te leggen. Liesbeth Hendrikse, zo heette haar moeder, was journalist en de eerste hoofdredacteur van de Nederlandse Elle. „Ze sprak, Renate schreef het op.” Stem van je hart heet het boek speciaal voor hen, en het bevat hoofdstukjes over huisdieren, werk, verliefdheid, familie, zoenen.

Verdriet vermomt als woede

Nu valt er iets uit de boom boven ons wat echt geen druppel is. We springen op om te kijken wat er viel. Ach gos, zegt zij, voorover gebogen in het gras. „Een eitje.” Het is gebroken. Wil ze, vraag ik als we weer zitten, nog iemand spreken die niet reflecteert op rouw, maar er middenin zit? Ze aarzelt. „In de storm? Wat kun je dan vertellen? Ik niks.”

Neem nou de laatste sterfdag van Renate, 4 mei. „We hebben op haar geborreld en getoost. Niks aan het handje.” De dag erna: „Stróntchagrijnig.” Zij bezig met die kast van haar die geschilderd moet worden. „Niks lukte. Tot ik dacht: wacht even, ik ben té boos. Waar komt dit vandaan?” En toen herinnerde ze zich het advies van een vriend uit haar eigen podcast (Gijs van der Sanden, zijn ouders overleden kort na elkaar). Rouw, of verdriet, moet je helemaal geen „plekje geven”, zoals iedereen altijd zegt. „Hij zegt: je moet het laten ademen.” En dat deed ze door op de bank te zitten, de begrafenismuziek aan te zetten, en heel hard te huilen. „Heerlijk was het.” En dat deed ze zo voor het eerst? Ze knikt: „Ik appte dezelfde avond Gijs over hoe erg ik had gehuild. Hij feliciteerde me en zei dat verdriet zich vaak vermomt als woede.”

En dat herkent ze nu. „Boosheid, dat was mijn middle name.” Bokkige puber, onhandelbaar, ruzies met haar vader en dan „heel melodramatisch” uithuilen bij haar paard in het weiland. „Ik kon goed alleen zijn. Zo goed, dat ik het ging cultiveren.” Ze had niet speciaal zin om na de middelbare school te gaan backpacken. „Want gedoe en vies.” Maar iedereen deed het, dus ging zij op haar 22ste, in haar eentje, naar Mongolië, China, Nieuw-Zeeland. „Dat ik dát kon, gaf zo’n machtig gevoel, dat ik er mijn werk van ben gaan maken.” Ze begrijpt zelf ook wel dat „hoe meer je op jezelf bent, hoe minder je kunt verliezen.” Zo langzamerhand begint die zelfstandigheid, haar „bewapening”, haar op te breken. „Ik heb geen kinderwens, maar m’n leven lang op mezelf zijn, is ook geen fijn vooruitzicht. Dus ergens zal ik iets moeten veranderen.”

Lees ook: Marieke Poelmann is ouderloos. Ze rouwt nu anders dan voorheen

Alle rouwenden uit haar podcast deden een vorm van therapie, zeg ik. Opgewekt: „O, maar dat ga ik ook doen.” Ze heeft, zegt ze, sinds de dood van Renate last van angsten. „Vliegangst.” Lastig voor een reisblogger. „Al een tijdje wilde ik wat rustiger aan doen, minder vliegen, want beter voor het milieu, blabla. Ik was natuurlijk gewoon bang. Als ik mét iemand reis, valt het nog mee, maar in m’n eentje is het drama. Ik moest in februari op persreis naar Lapland, dagen heb ik daartegenop gezien. Twee tussenlandingen, dat is vier keer doodgaan.” Waar komt die angst ineens vandaan? „Het is gewoon doodsangst, en op vliegen kun je het makkelijk uitleven.”

Ze ziet zichzelf niet oud worden. Bang om te krijgen wat haar moeder had? „O, in dat black hole kan ik zó stappen.” Meestal, zegt ze, loop je langer rond met kanker dan je doorhebt. „Mijn vader vertelde dat mijn moeder al tijden in onze kinderpo poepte om haar ontlasting te controleren. Vervolgens is ze naar de dokter gegaan, alleen, en kreeg ze de diagnose. Dat heb ik wel gek gevonden. Je denkt al een maand dat je misschien een ernstige ziekte hebt, maar je vertelt het je man niet?”

Ze werpt een gelaten blik op de resten van de borrel. Lege wijnfles, lege verpakkingen, kruimels. „Om nou te zeggen dat ik naar mijn angsten handel door heel gezond te leven…” Met roken is ze wel gestopt, omdat ze niet „met een peuk” aan Renates graf wilde staan. De dood is zichtbaarder geworden, zegt ze. „Er is zoveel waaraan je kunt sterven. Als ik oude mensen zie op straat, kan ik alleen maar denken: wat knap dat je het zo lang hebt weten uit te houden. Je bent overal doorheen gefietst en wél gewoon 92 geworden.”