Roald

is visser en doet verslag vanaf de waterkant. Deel 36: Pijnkreet
Dagboek van een visser

In zijn prachtige ‘The Sound Machine’ laat Roald Dahl een huiveringwekkende waarheid aan het licht komen. Een jongeman, Klausner, is ervan overtuigd dat de mens ontzettend veel geluiden mist omdat het menselijk oor simpelweg niet uitgerust is voor buitengewone frequenties. Daarop sluit Klausner zich op in zijn schuurtje en na maanden getimmer en gezaag komt hij naar buiten met een vernuftig koptelefoonapparaat, dat-ie af kan stemmen op extreme toonhoogtes die het omzet in hoorbaar geluid. De eerste keer dat Klausner het in zijn tuin uitprobeert, hoort hij plotseling een afgrijselijk gekrijs als zijn buurvrouw de rozen snoeit. De volgende dag pakt hij een bijl en zwaait die in een grote beukenboom. Een diep, akelig gekreun uit de stam doet hem verstijven. Ontdaan en verward gaat hij liggen in het gras, waarna onder zijn lijf een koor van gejammer opstijgt.

Ik herinnerde me dit verhaal toen verschillende lezers na mijn vorige aflevering over jankende makrelen opmerkingen maakten in de trant van: stel nou dat álle vissen pijngeluiden konden maken, zou u, meneer Benzakour, dan nog steeds blijven hengelen?

Interessant punt.

Want stel nou dat alle gehaakte vissen wel degelijk angst- en pijnkreten uitstoten maar dat wij ze stomweg niet kunnen horen? En stel nou dat zo’n Klausnermachine inderdaad bestond en dat elke visser verplicht was om naast de Vispas ook zo’n machine bij zich te hebben en deze moet aansluiten op speakers opdat niet alleen hijzelf, maar álle omstanders getuige zouden zijn van het afschuwelijke gekrijs van karpers en snoeken? Zouden passanten de vissers uitjouwen, misschien zelfs afrossen? Zouden schaamte en geweten de visser s’nachts uit zijn slaap houden, tot hij op een dag de hengel aan de wilgen hangt? Paul McCartney zei eens: „Als slachthuizen glazen wanden hadden, zou iedereen vegetariër zijn.”

Ik ben geen vegetariër, ik ben een panvisser. Ik haak en zoen de vis, geef ’m een tik, bak ’m in kostelijke roomboter en verorber ’m met liefdevolle handen. Eervoller kan een vis niet eindigen. En zij die tegenwerpen: maar u doodt een levende ziel. U kunt ook worteltjes eten – tegen hen zeg ik: maar een grote vis die een kleine opeet, dat mag wel?

Zij: ja, dat mag, anders sterft de grote vis. Zo is de natuur.

Ik: ben ik soms geen natuur?

Dan is er nog de beroepsvisserij, die zal roepen: houd toch op met die onzin! Een of twee vissen kan je een klap geven, maar wij vangen met netten duizenden haringen en heken. Moeten wij die soms allemaal met een hamertje aflopen?

Nee hoor, zeg ik, hoeft niet, daarvoor is een handige visverdovingsmachine uitgevonden. Waarom een koe wel verdoven maar niet een kabeljauw?