Kleine watersalamander

Amsterdamse beestjes Stadsecoloog Remco Daalder schrijft op gezette tijden over de dieren en vogels in Amsterdam.

Er vliegt een groep van honderdvijftig aalscholvers over de Banne. Ik weet waar ze heen gaan: naar het Noordhollandsch Kanaal. Gewoonlijk is dat een drukbevaren water. Bij mooi weer gaan er tientallen bootjes richting het IJ en de Amsterdamse binnenstad. De laatste twee maanden is het kanaal om de één of andere reden opmerkelijk rustig. En daarmee prima viswater voor de aalscholvers.

Eén aalscholver maakt zich los van de groep, zet een bocht in en daalt. Nieuwsgierig volg ik hem. Hij landt in een prutsloot in de Banne, een sloot van vijftig meter lang, een paar meter breed, een halve meter diep. Anders dan zijn kameraden, die in het brede kanaal op karpers jagen, ploegt deze ene aalscholver langs de rietoevers van een stadsslootje, vlak onder de waterlijn. Het duurt even voor ik besef dat hij na elke duik boven komt met een salamander. Die hij even omhoog gooit en zonder verder misbaar naar binnen slikt. In de tien minuten dat ik sta te kijken vangt hij er acht. En dat vind ik niet eerlijk. Een beest van bijna een meter, dat bijna vier kilo kan wegen, eet wezentjes die nauwelijks groter zijn dan een regenworm. En die hij ook niet eerst even netjes doodmaakt. Salamanders zijn taaie beesten, hun doodsstrijd in de zure maagsappen van de aalscholver zal lang duren.

Tuinvijvertje

Licht misselijk bij de gedachte daaraan ga ik naar huis, om bij ons tuinvijvertje bij te komen. In dat plasje water van twee vierkante meter zitten al sinds de aanleg, twintig jaar geleden, kleine watersalamanders. Kleine watersalamanders zitten namelijk bijna overal waar zoet water is. Tuinvijvertjes in gesloten bouwblokken midden in de stad: hoe ze het doen, ik weet het niet, maar er komen salamanders, en snel ook. Ik vond er eens drie in onze gieter die ik halfvol buiten had laten staan. Ze konden er door de gladde wanden niet meer uit. Ze hadden hun ribben uitgezet, dreven op het water en wachtten rustig op goddelijk ingrijpen om ze uit hun benarde positie te bevrijden.

Mijn tuinsalamanders hebben een kalm leven. Hier komen geen aalscholvers, reigers, roofvissen of ander gespuis. Hier zweven ze rustig door het water, hier draaien in de lente de mannetjes met veel misbaar om de vrouwtjes heen. Daarbij kan je prachtig hun pootjes zien, hun pootjes die zoveel op mensenhanden lijken, waardoor je nog meer te doen krijgt met deze schijnbaar weerloze, zachte beestjes. In onze vijver zijn de salamanders heer en meester, hier zijn zij de toppredator. Hier slokken zij muggenlarven, watervlooien en kreeftjes naar binnen. Zonder ze eerst netjes dood te maken. Waarna ze een wrede dood in de maagsappen van de salamander te wachten staat. En dat vind ik helemaal niet erg. Dat is de natuur.

Stadsecoloog schrijft op gezette tijden over de dieren en vogels in Amsterdam.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.