Opinie

De landbouw moet juist verder intensiveren

Voedsel Lokale en kleinschalige voedselproductie levert minder op en belast natuur en milieu meer. Deglobalisering is de verkeerde keuze, schrijven en .
Foto Brent Stirton

The World is Flat, verkondigde de econoom Thomas Friedman in 2005 in zijn gelijknamige boek over globalisering. Sindsdien is het speelveld van onze globale economie alleen maar verder geëffend. Een onooglijk stukje RNA ontwricht momenteel de hele wereldhandel. Alles is met alles verbonden; als iemand aan de andere kant van de wereld de verkeerde vleermuis oppeuzelt, zijn wij allemaal de pineut.

Geen wonder dat de scepsis over globalisering opflakkert. Ook bij iets wat ons nauw aan het hart (en de maag) ligt: voedsel. „Plots komt de lokale boer weer in beeld”, kopte De Standaard. Bewijst deze pandemie niet dat we veel te afhankelijk zijn geworden van andere landen? Moeten de productieketens niet korter? De voorstanders van bio-landbouw hebben er altijd voor gepleit: lokale en kleinschalige consumptie, dicht bij de bron. Dat voedingsmodel scheelt meteen enkele tonnen aan broeikasgassen voor internationaal transport. Natuurlijk, geven ze toe, dankzij globalisering is ons voedsel ook spotgoedkoop, maar misschien is dat juist het probleem. „We moeten af van die low-costbenadering van voeding”, zei Olivier De Schutter in De Standaard. „Goedkoop voedsel is een illusie”, vulde de Britse auteur Carolyn Steel aan in NRC. Als we met z’n allen wat meer betalen, klinkt het, worden we ook gezonder en weerbaarder.

Nu hebben wij op zich niets tegen voedsel uit eigen streek tegen een ‘eerlijke’ (lees: hogere) prijs. Ook wij vullen graag een bruin zakje met heerlijke seizoensgroentjes op de lokale versmarkt, en lusten ook wel eens een flesje port van biologisch geteelde druiven. Desnoods blootsvoets geplet op ambachtelijke wijze, waarom niet? Een gevoel van verbondenheid met de natuur en met het voedsel dat aan onze aarde ontspruit, geeft kleur en smaak aan het leven.

Lees ook dit interview: ‘Vergroot je weerbaarheid, kweek je eigen voedsel’

Biologisch voedsel is luxe

Maar er is een onwelgevallige waarheid die de liefhebbers van lokaal en biologisch voedsel weigeren te erkennen: het zijn luxeproducten voor rijke westerlingen die het zich kunnen veroorloven. De gedachte dat je er acht miljard mensen mee kan voeden, is een wensdroom. Tenzij je nog drie vruchtbare planeten in reserve hebt. Lokale landbouw heeft bestaansrecht, zeker, maar als nichemarkt. Wie begint te tellen en te rekenen, stelt vast dat het model van zelfvoorzienende en lokale landbouw ontzettend inefficiënt is. En minder efficiënt betekent: minder opbrengst, meer benodigde landbouwgrond, meer vernielde natuur, meer broeikasgassen, meer waterverbruik, meer verspilling. Laat staan als je alles ook nog eens biologisch wil telen, zonder kunstmest en moderne bestrijdingsmiddelen. Want dankzij moderne technologie en veredeling ligt de opbrengst van onze landbouw tot tien keer zo hoog als vroeger. Denk die moderne middelen weg, en onze ecologische voetafdruk wordt ook tien keer zo groot.

Neem de hunkering naar lokaal voedsel. Een recente studie in Nature rekende uit hoeveel aardbewoners aan hun calorieën zouden komen als ze voor hun voornaamste gewassen (graan, rijst, maïs, gerst, sorghum) alleen binnen een straal van honderd kilometer zouden winkelen. Ze kwamen uit op een schamele 11 tot 28 procent, nog geen derde van de wereldbevolking. De rest moet zijn voedsel verderop halen, de helft van de wereld zelfs verder dan duizend kilometer. Niet elke streek is nu eenmaal geschikt om allerlei gewassen te telen. Door hier in onze vruchtbare delta te kiezen voor lokaal, laten we anderen die minder geluk hadden met hun geboorteplek in de kou staan.

Intensiever is duurzamer

Het is een hardnekkige misvatting dat een geglobaliseerd landbouwmodel het meest belastend is voor natuur en klimaat. Kleinschalig en lokaal is beter voor de natuur, toch? Columnist Marc Reynebeau herhaalde het riedeltje onlangs in De Standaard: de remedies tegen klimaatopwarming heten „nabijheid, duurzaamheid en kortere ketens”. In werkelijkheid is het precies andersom. De vermeden uitstoot door kortere productieketens is immers gering: de afstand die voedsel aflegt van boer naar consument is verantwoordelijk voor hooguit 10 procent van de totale uitstoot. De rest zit in landbouw zelf. Door efficiënter te telen op de juiste plekken, kan je veel meer uitstoot vermijden. Dat betekent dat elk land of elke streek het voedsel teelt waar bodem en klimaat zich het meest toe lenen, en dat uitvoert naar andere landen. Dat is duurzaam, want het betekent minder waterverbruik, minder pesticiden en minder mest tegenover eenzelfde oogst.

Geloof het of niet, maar intensivering is ook een zegen voor de biodiversiteit. De belangrijkste oorzaak van de achteruitgang van soortendiversiteit is immers destructie en fragmentatie van hun leefomgeving. Door efficiënter te telen, geven we ruimte terug die we eerder innamen. Als de wereld verder inzet op intensivering op de meest vruchtbare gronden, zo berekende een andere studie in Nature, kunnen we 50 procent van het totale huidige landbouwoppervlakte terug aan de natuur schenken. En ook daar vaart het klimaat wel bij. De meest effectieve en natuurlijke klimaatmaatregel, lieten wetenschappers in 2017 zien, is uitbreiden van bosareaal.

Niets mis met goedkoop voedsel

Wat ons als progressieve jongens het meest tegen de borst stuit is de idee dat er iets verkeerd is met goedkoop voedsel. De voortdurende daling van voedselprijzen dankzij globalisering en modernisering is een onverdeelde zegen voor de mensheid, vooral voor de allerarmsten. Want hoe minder geld je moet uitgeven aan voedsel, des te meer je overhoudt voor andere spullen, en om pakweg je kinderen naar school te sturen.

Natuurlijk moeten de verborgen kosten van voedsel (zoals broeikasgassen bij productie en transport) wel in de prijs verrekend worden. We zijn daarom voor een universele koolstofbelasting. Maar de gedachte dat ‘goedkoop voedsel’ op zichzelf verkeerd is, is een gruwelijk elitair en egoïstisch idee dat zich ten onrechte vermomt als ‘progressief’, en dat alleen bedacht kan zijn door lieden die nooit naar het prijsetiket hoeven te kijken als ze voedsel uit de winkelrekken halen.

En nee, deze pandemie is niet de schuld van de industriële landbouw. Juist afgesloten, gecontroleerde systemen leveren het kleinste risico. Op een kleine boerderij, waar dieren door elkaar lopen en contact hebben met wilde soortgenoten, is het risico op zoönose groter. Willen we virusuitbraken voorkomen, dan moeten we verder intensiveren en onze productie afsluiten van de buitenwereld. Of ophouden met dieren op te peuzelen natuurlijk.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.