Opinie

De achterstand is alleen buiten de strafrechter om op te lossen

Bijzondere tijden vragen om bijzondere maatregelen, anders loopt de strafrechtspleging vast. AG Joep Simmelink doet in de Togacolumn voorstellen.
Een zitting in de rechtbank Den Haag tijdens de coronacrisis. Tussen de rechters werden plexiglas schermen geplaatst. De verdachten worden via een videoverbinding gehoord.
Een zitting in de rechtbank Den Haag tijdens de coronacrisis. Tussen de rechters werden plexiglas schermen geplaatst. De verdachten worden via een videoverbinding gehoord. Foto Phil Nijhuis / ANP

Kort voor het aanbreken van het ‘coronatijdperk’ werd de noodklok geluid over achterstalligheid bij de afhandeling van strafzaken door de rechter. Als gevolg van capaciteitsproblemen bij de rechterlijke macht zouden meer dan twintigduizend strafzaken op de plank blijven liggen. Nadat het land medio maart op slot ging en de gerechtsgebouwen werden gesloten, werd de inhoudelijke behandeling van strafzaken vrijwel stilgelegd. Hierdoor liep de al bestaande achterstand wekelijks op met ruim vijfduizend zaken. Vanaf 11 mei is de behandeling van strafzaken weer opgepakt. Jeugdstrafzaken en strafzaken waarin een verdachte in voorlopige hechtenis zit, worden met voorrang behandeld.

Meer tijd

In de anderhalvemetersamenleving vraagt de behandeling van een strafzaak ter zitting meer tijd. Als in het ante-coronatijdperk een zaak in bijvoorbeeld één uur kon worden behandeld, moet daarvoor na 11 mei minstens 75 tot 90 minuten worden uitgetrokken. De naleving van alle in en rondom zittingszalen getroffen maatregelen om verspreiding van Covid-19 te voorkomen, vraagt namelijk extra tijd.
Dat betekent dat op een zittingsdag in de gebruikelijke zittingsuren minder zaken kunnen worden behandeld dan voorheen. Zonder aanpassing van werkprocessen is de consequentie daarvan dat achterstanden verder oplopen. Het behoeft weinig betoog dat nagedacht moet worden over aanpassing van die werkprocessen om dat te voorkomen. Om in ieder geval per zittingsdag eenzelfde aantal strafzaken te behandelen, is al door C. Wiertz, president van de Rechtbank Amsterdam en G. van der Burg, voorzitter van het College van procureurs-generaal, geopperd om de zittingstijden aan te passen, door bijvoorbeeld al om 07.00 uur te beginnen of in de avonduren door te gaan. Ook is de suggestie gedaan in het weekend terechtzittingen te organiseren.

Menskracht

Het is een begrijpelijke gedachte om, met het oog op het wegwerken van achterstanden, de gebruikstijd van zittingszalen te verruimen. Beperkingen van het gebruik van die zalen tot werkdagen en tot 09.00 uur en 17.30 uur, vallen in een zevendaagse vierentwintiguurseconomie (of wat daar nog van over is) maar moeilijk te verdedigen. Als het gaat om achterstanden is een tekort aan zittingszalen echter niet het grote knelpunt. Dat is toch een tekort aan menskracht. Het is de grote vraag welke rechters, griffiers en officieren van justitie – en vergeet niet portiers, bodes en parketpolitie – in de avonduren en weekenden de zittingszalen moeten gaan bemensen. In een vijfdaagse werkweek betekent inroostering op zaterdag een uitroostering op een van de andere werkdagen van de week. Verruiming van de zittingstijden kan alleen maar een substantiële bijdrage leveren aan achterstanden wegwerken als tijdens de extra zittingsuren extra personeel kan worden ingezet. En dat extra personeel is er niet. Een uitzendbureau voor rechters, griffiers en officieren van justitie, is mij in ieder geval onbekend.

Achterstand

Het wegwerken van een achterstand (die inmiddels is aangegroeid tot 55.000 strafzaken) gaat dus niet lukken met alleen maar een verruimd gebruik van de zittingszalen. Er zal creatief moeten worden gezocht naar mogelijkheden om met het beschikbare personeel meer strafzaken af te handelen.
Een van de daartoe geëigende instrumenten is de buitengerechtelijke afdoening door middel van de strafbeschikking. Zo heeft het Openbaar Ministerie in het arrondissement Oost-Nederland de advocatuur opgeroepen om lichtere strafzaken te melden om te bezien of die door middel van het opleggen van een strafbeschikking door de officier van justitie kunnen worden afgedaan. Die zaken hoeven dan niet meer naar de rechter. Daarmee wordt zittingstijd gecreëerd voor de zwaardere zaken.

Alleensprekend

Voor de vele zaken die vanwege hun ernst en omvang naar de strafrechter moeten, moet ook worden nagedacht over werkwijzen die ertoe kunnen bijdragen dat rechters in de beschikbare werktijd meer strafzaken kunnen afhandelen. Veel winst zou geboekt kunnen worden als meer strafzaken niet aan een meervoudige kamer, maar aan een alleensprekende politierechter worden voorgelegd. Drie politierechters kunnen meer zaken afdoen dan een uit drie rechters bestaande meervoudige kamer. Die lijn kan worden doorgetrokken naar de fase van het hoger beroep: zaken die in eerste aanleg enkelvoudig zijn afgedaan, worden in beginsel ook in hoger beroep door één rechter beoordeeld. Wetswijziging is hiervoor niet nodig. In het Wetboek van Strafvordering is al voorzien in ruime mogelijkheden voor enkelvoudige rechtspraak.

Overeenkomst

Verder kan worden bezien of het mogelijk is strafzaken, ook de grotere, consensueel af te doen. Denkbaar is dat tussen Openbaar Ministerie en verdediging een informele overeenkomst wordt gesloten over de aard van het aan de verdachte te maken verwijt, het bewijs en de bijpassende straf. Die overeenkomst kan worden voorgelegd aan de rechter, die vervolgens beziet of de verdachte vrijwillig instemt met een afdoening volgens de overeenkomst en marginaal de aanvaardbaarheid van de overeenkomst toetst. Als beide punten positief uitvallen, kan de rechter overeenkomstig de overeenkomst een veroordeling uitspreken. Zo kan een zaak in korte tijd en zonder uitvoerig rechterlijk onderzoek worden afgedaan. Niet te verwachten is dat veel zaken die op deze wijze worden afgedaan nog in hoger beroep terecht zullen komen. Ook die besparing legt gewicht in de schaal.

Bezwaren

De bezwaren die tegen de hiervoor geformuleerde gedachten kunnen worden ingebracht, zijn erg voorspelbaar. De rechter wordt buiten spel gezet. De zorgvuldigheid van het rechterlijk oordeel wordt uitgehold. De positie van de rechter wordt ondergraven. De waarborgen van de verdachte gaan eraan. Bijzondere tijden vragen echter om bijzondere maatregelen om te voorkomen dat de strafrechtspleging totaal vastloopt. Vasthouden aan bestaande werkwijzen en procedures, met als gevolg dat strafzaken zo ongeveer drie jaar op de plank blijven liggen, is maatschappelijk onacceptabel. Daar is niemand mee gediend.

De Togacolumn wordt geschreven door een advocaat, een rechter of een officier van justitie. Joep Simmelink is senior advocaat-generaal bij het Ressortsparket van het Openbaar Ministerie en bijzonder hoogleraar aan de Universiteit Maastricht.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.