Rechten verdachte zijn in het geding

Advocatuur Het coronavirus zit fatsoenlijke rechtspleging in de weg. Spatschermen ontbreken, er zijn te weinig videoverbindingen.

Illustratie Roland Blokhuizen

Strafrechtadvocaat Jeroen Soeteman ziet hem op zondagochtend zitten in een klein verhoorkamertje op een politiebureau in Amsterdam. Een nieuwe cliënt – hij wordt verdacht van poging tot doodslag. Soeteman heeft een piketmelding ontvangen en is gebeld of hij de verdachte bij kan staan tijdens zijn eerste verhoor door de politie.

Voordat het verhoor begint, heeft Soeteman een half uur de tijd zich voor te stellen, de verdachte te leren kennen en zich te verdiepen in de feiten. Wat is er precies gebeurd? Wat ging er aan vooraf? Waar wordt hij nu van verdacht? Hoe zal het verhoor verlopen? Wat gebeurt er daarna?

Het zijn belangrijke vragen die snel moeten worden besproken. Daaraan voorafgaand moet een advocaat die cliënt op zijn gemak stellen en zijn vertrouwen winnen. Een verdachte moet begrijpen dat alles wat er tijdens dat verhoor wordt gezegd als bewijs kan dienen. Er staat veel op het spel: de maximale straf voor poging tot doodslag is tien jaar cel.

Lees ook: Geen publiek, wel plexiglas en plakband

De situatie in de kleine Amsterdamse verhoorkamer is ongemakkelijk, vertelt Soeteman. Voldoende afstand houden kan niet. En daar waar tussen de verdachte en de agent die het verhoor afneemt een spatscherm is opgehangen, zit Soeteman onbeschermd op minder dan anderhalve meter afstand van zijn cliënt. Bovendien is de verdachte astmapatiënt.

Wat moet je dan doen als advocaat?

Weglopen omdat je zowel de gezondheid van jezelf als van je cliënt in gevaar brengt? Of in strijd met de voorschriften van het RIVM blijven zitten omdat die cliënt anders zonder bijstand het belangrijke eerste verhoor wordt afgenomen? Soeteman blijft zitten. Het verhoor telefonisch bijwonen, zoals de politie suggereert, vindt hij geen alternatief. „De verdachte heeft recht op bijstand en die kan in deze situatie alleen effectief worden verleend door een advocaat die fysiek aanwezig is.”

Dit is geen simpele zaak waarbij een pak drugs in de woning van een verdachte is gevonden. Poging tot doodslag is een ernstige beschuldiging waarbij de omstandigheden van groot belang zijn en schuld op voorhand allerminst vaststaat. Intenties van een verdachte spelen een belangrijke rol. Daarom is het eerste verhoor cruciaal.

Advocaten voor ‘valse keuze’ gesteld

Soeteman vindt dat advocaten sinds de uitbraak van de coronacrisis te vaak voor een valse keuze worden gesteld. „De overheid heeft een zorgplicht voor verdachten die vast zitten”, zegt Soeteman. „Onder deze omstandigheden moet je een advocaat niet laten kiezen tussen het recht op juridische bijstand of het recht op een goede gezondheid. Dat is geen keuze.”

Jeroen Soeteman is voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Strafrechtadvocaten (circa 550 leden) en hoort van meerdere collega’s verhalen die lijken op die van hem. „Dat het de eerste weken na het stilleggen van het normale maatschappelijke leven ook voor politie en justitie zoeken was, begrijp ik. Maar het is niet aanvaardbaar dat ruim twee maanden later in verhoorkamers nog altijd alleen spatschermen hangen voor de politie en niet voor de advocaat. Dat is geen overmacht, dat is een kwestie van geld en prioriteiten. Wat nou als ik in deze situatie opstap en de verdachte tijdens dat verhoor een bekentenis zou afleggen? Is dat dan bewijs dat standhoudt voor de rechter? Een verdachte heeft immers recht op bijstand van een advocaat tijdens dat verhoor.”

Orde van advocaten

Petra van Kampen hoort net als haar collega Soeteman veel klachten over de situatie op politiebureaus en in rechtbanken. Van Kampen is bestuurslid van de Nederlandse Orde van Advocaten met de portefeuille strafrecht. In die rol heeft ze regelmatig overleg met het de Raad voor de Rechtspraak en het Openbaar Ministerie. „Dat overleg gaat op zich best goed en er wordt ook wel geluisterd naar de grieven van advocaten en signalen over wat er in de praktijk niet goed gaat.” Iedereen doet zijn best maar dat neemt volgens Van Kampen niet weg dat er grote problemen zijn. „Je ziet nu dat de bezuinigingen op de rechtspraak diepe sporen hebben nagelaten.”

Soeteman en Van Kampen krijgen veel klachten over de beperkte beschikbaarheid van videoverbindingen tussen gevangenissen en rechtbanken. Daarop wordt vaak een beroep gedaan omdat verdachten praktisch gesproken niet altijd fysiek aanwezig kunnen zijn bij de behandeling van hun eigen zaak.

Aan videoverbindingen is op dit moment een groot tekort. Daardoor kunnen verdachten zo veelal 45 minuten tot een uur ‘aanwezig zijn’ in hun eigen zaak. „Dat is echt schandalig”, vindt Soeteman. „Stel, je zit al een half jaar of langer in voorarrest in afwachting van de behandeling van je zaak. En dan moet alles in 45 minuten worden gepropt, omdat daarna de verbinding verbroken wordt. En dat is inclusief de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het laatste woord.”

Dat betekent dus, zegt de strafrechtadvocaat, „dat je als verdachte niet kunt luisteren naar de strafeis van het OM en ook niet naar het pleidooi van je eigen advocaat. Dan heb je als verdachte niet het idee dat je een eerlijk proces hebt gekregen.”

Dat geldt overigens ook voor slachtoffers. Ook zij mogen veelal niet aanwezig zijn bij de behandeling van een strafzaak, zegt Soeteman. „Het afdoen van strafzaken op deze manier is gewoon een schending van het recht op een eerlijk proces.”

Soeteman snapt dan ook niet dat de voorzitter van de Raad voor de Rechtspraak, Henk Naves, onlangs in dagblad Trouw stelde dat geen enkele procespartij „tekort” wordt gedaan tijdens de coronacrisis. „We moeten ons allemaal aanpassen, dat snapt iedere advocaat. Maar dat de voorzitter van de Raad voor de Rechtspraak nu nog steeds doet alsof er niks aan de hand is, baart mij zorgen. Dan weet hij niet wat er speelt op rechtbanken of doet hij net alsof alles goed gaat.”

Van Kampen deelt die kritiek. „In een groot aantal zaken kun je de vraag stellen of er nog wel recht gedaan wordt. Het zou fijn zijn dat ook vanuit de rechtbanken en het OM het besef zou doorklinken dat het wringt. Dat is belangrijk, omdat deze situatie veel langer gaat duren dan we in maart dachten. We doen het er nu mee, maar de advocatuur moet wel goed opletten dat beperkingen die nu worden geaccepteerd niet structureel worden.”

Ze noemt telehoren als voorbeeld: „Dat kan onder omstandigheden prima werken, maar het kan persoonlijk contact nooit vervangen. Om goed te kunnen oordelen over een verdachte moet je gevoel hebben bij een persoon, en dat is volgens mij alleen mogelijk als je iemand in levenden lijve meemaakt. Als je wilt dat mensen straf accepteren, moet je ze het gevoel geven dat er naar hen is geluisterd.”

Volgens Van Kampen is het daarom belangrijk dat politie, justitie en de rechtspraak in gesprek blijven met de advocatuur. „Advocaten krijgen heel vaak te horen dat ze flexibel moeten zijn. Wij moeten het maar uitleggen aan onze cliënten. Maar dat is heel moeilijk als er niet goed met ons wordt gecommuniceerd.”

Van Kampen wijst op de beslissing om de openingstijden van de rechtbanken te verruimen om zo opgelopen achterstanden weg te werken. „Daar is alle begrip voor zolang er normaal overleg wordt gevoerd. En dat gebeurt in de praktijk weinig of helemaal niet. Advocaten en hun cliënten krijgen nu zonder overleg te horen dat ze volgende week om zeven uur worden verwacht. Alsof ze geen agenda en reistijd hebben. Alsof ze geen gezin hebben waar net als in ieder ander gezin van alles moet worden geregeld. Er wordt bij rechtbanken te vaak gezegd: zo gaan we het doen. Dat moet anders.”