Opinie

Primitief, maar perfect

Frits Abrahams

Een fietser kwam langszij toen ik ’s middags door het nog altijd prettig stille centrum van Amsterdam liep. Het was een mij onbekende man van middelbare leeftijd, die naast mij afstapte en vriendelijk zei: „Meneer Abrahams, ik geloof dat ik een onderwerp voor u heb.”

„Heel graag”, zei ik, aangenaam verrast, want het komt niet dagelijks voor dat een lezer, naast zijn dure abonnement, ook nog eens onderwerpen voor mijn column weggeeft.

„Little Richard”, zei hij, „dat lijkt me echt iets voor u.”

„Maar daar heb ik nou net van afgezien”, zei ik, „want alles stond al in allerlei necrologieën.”

„Dan ga ik die maar uitknippen”, zei hij. Een praktisch man, maar ik voelde dat ik hem teleurgesteld had, vooral toen hij eraan toevoegde: „Het is een heel belangrijke figuur in de popmuziek geweest. Ik heb net nog op YouTube naar een oud filmpje van hem gekeken: geweldige artiest!”

„Zeker”, zei ik.

Ik hield maar voor me dat ik een dag eerder over dit onderwerp danig van smaak verschilde met mijn vrouw. Na het vernemen van het overlijdensbericht had ik meteen uit een vaag gevoel van piëteit enkele nummers van Little Richard gedraaid. ‘Tutti Frutti’ natuurlijk, ‘Long Tall Sally’, ‘Slippin’ and slidin’’ en ‘Good Golly, Miss Molly’ als adequate afsluiting. Daarmee had ik het oeuvre van Little Richard tot zijn essentie teruggebracht: een pompende piano, een scheurende sax en een woeste gilletjes slakende zanger.

Primitieve, maar perfecte rock-’n-roll, in zijn genre niet te overtreffen. Al zijn nummers leken op elkaar, maar dat hinderde de liefhebber niet, als het maar rockte en rolde. Electrische gitaren hadden ze toen nog niet nodig, die sax deed het werk. Luister maar naar John Lennons versie, twintig jaar later, van ‘Slippin’and slidin’’: verdienstelijk, maar minder opwindend dan het origineel.

Maar mijn vrouw zei respectloos (de man was nog niet eens ter aarde besteld) : „Hij kan niet zingen. Het is meer krijsen. Bob Dylan was beter.” Daarna verliet ze schouderophalend de kamer.

Het was nog waar ook, het deed er alleen niet toe. De rock-’n-rollzanger van die tijd hoefde niet te kunnen zingen, hij moest rauwe emotie overbrengen richting onderbuik. Echte zangers had je in die jaren genoeg. Sinatra, Martin, Como. Zoetgevooisde heren waar je als tiener onbewogen naar zat te luisteren. De tijd voor teenagers was nog niet aangebroken, pa luisterde naar Rudolf Schock, maar jij wilde ongetemde, onbeheerste, desnoods onbeschofte rock. Dat ‘Tutti Frutti’ over seks ging (homoseks zelfs in de eerste, later aangepaste versie) wist je niet, maar je besefte dankzij die muziek wel dat het leven spannender kon worden dan het tot dan toe geweest was.

Gonna kick off my shoes, roll up my faded jeans, grab my rock’n-roll baby, pour on the steam”, zong (krijste) Little Richard in ‘Ready Teddy’. Het was 1956, niets mocht, dominee en pastoor waren nog de baas, maar Kleine Richard wees ons de weg naar de grazige weiden waar we konden nederliggen met onze eigen rock-’n-rollbaby. Hij was zijn tijd ver vooruit, ook al werd hij later zelf een poosje dominee en worstelde hij te lang met zijn homoseksualiteit.

Ja, die lezer op de fiets had gelijk: Little Richard zou een erg goed onderwerp voor me zijn geweest.