Opinie

Niemand is blij met de koffie-euthanasie uitspraak

Wilsonbekwaam Morele vragen bij de toetsing van euthanasie zijn ondergeschikt geraakt aan juridische, zegt
Foto ROOS KOOLE/ANP

De Hoge Raad deed op 21 april uitspraak over de zogenoemde koffie-euthanasie zaak waarin een patiënte met gevorderde dementie euthanasie kreeg op basis van een meerduidige schriftelijke wilsverklaring; zij gaf tegengestelde signalen over haar doodswens en verzette zich tijdens de uitvoering toen bleek dat het slaapmiddel dat ongevraagd in haar koffie was gedaan niet voldoende bleek te werken.

In tegenstelling tot de Regionale Toetsingscommissies Euthanasie (RTE) en de tuchtrechter, maar in overeenstemming met de strafrechter, oordeelde de Hoge Raad dat de arts zorgvuldig had gehandeld.

Niet ver genoeg of te ver

Uit de reacties in de media, blijkt dat bijna niemand onverdeeld positief is over de uitspraak. Sommigen vinden dat de uitspraak niet ver genoeg gaat. Juristen Mijnssen en De Bontridder (NRC 6/5) poneren dat alleen patiënten de ondraaglijkheid van hun lijden kunnen inschatten. Het lijden dat patiënten in hun schriftelijke wilsverklaring als ondraaglijk hebben omschreven zou volgens hen daarom de maatstaf moeten zijn en niet – zoals de Hoge Raad stelt – het lijden in de actuele situatie.

Anderen menen dat de uitspraak juist een brug te ver is. Docent strafrecht Rozemond voert onder meer aan dat volgens een KNMG richtlijn, artsen bij wilsonbekwame patiënten niet in het geheim medische handelingen mogen uitvoeren.

Chabot, psychiater in ruste, beargumenteert (NRC, 1/5) dat euthanasie geen oplossing mag zijn voor het tekort aan zorg voor ouderen met dementie.

Ethicus Boer waarschuwt voor dubieuze euthanasieën omdat familie vaak de aanvraag indient en de arts zwaar zal leunen op waardeoordelen van naasten.

Lees ook: Hoge Raad zet licht op groen voor doding diep demente ouderen

Trouw-columnist Bert Keizer stelt dat een ‘nieuw normaal’ is gecreëerd dat nieuwe druk op artsen, vooral specialisten ouderengeneeskunde zal leggen.

Autonomie

Hoe zit het met de patiënten zelf? Met de uitspraak is hun autonomie om zelf het moment van euthanasie te bepalen ondergeschikt gemaakt aan de veronderstelde bedoeling van hun schriftelijke wilsverklaring. Immers, bij ‘bewezen’ wilsonbekwaamheid zal een ander bepalen wanneer hij ondraaglijk lijdt en dood wil. Zijn patiënten zich bewust van de risico’s van deze overdracht van hun zelfbeschikking? Het is niet ongebruikelijk dat patiënten tijdens het ziekteverloop hun doodswens uitstellen. Onder het mom van wilsonbekwaamheid of onder druk van familie kan dit nu terzijde worden geschoven. Patiënten die bereid zijn deze risico’s te nemen, kunnen tevreden zijn. Het vonnis biedt immers de mogelijkheid dat wat zij in hun schriftelijke wilsverklaring hebben opgeschreven, mede een rechtvaardiging mag vormen voor de arts dat, gegeven alle concrete omstandigheden, sprake is van actueel ondraaglijk lijden. Echter, patiënten die gerespecteerd willen worden als zij aangeven nog niet dood te willen, ook als zij wilsonbekwaam zijn, zullen nog beter moeten nadenken over de formulering van hun schriftelijke wilsverklaring zodat geen twijfel kan bestaan over de bedoeling ervan.

Wilsverklaring

De uitspraak biedt een pragmatisch kader aan artsen die niet onwelwillend tegenover euthanasie bij gevorderde dementie staan. Zowel de juridische geldigheid van de schriftelijke wilsverklaring als het belang van actueel ondraaglijk lijden zijn zwaar gewogen.

Duidelijk is dat euthanasie niet straffeloos kan worden uitgevoerd als de patiënt in de actuele situatie niet ondraaglijk lijdt, ook al zou die situatie overeenkomen met zijn schriftelijke wilsverklaring.

Belangrijke punten zijn in het vonnis echter niet uitgewerkt. De uitspraak gebruikt consequent de term ‘euthanasieverzoek’.

Daardoor wordt de letterlijke tekst van de wet gevolgd maar is de spraakverwarring niet opgelost. Immers, niet elke schriftelijke wilsverklaring houdt een verzoek in. Schriftelijke wilsverklaringen die zijn opgesteld terwijl er nog geen diagnose dementie bestond, zijn hooguit wensdocumenten die concrete bevestiging vereisen.

De Hoge Raad benadrukt ook dat uitingen die in strijd zijn met de schriftelijke wilsverklaring, zogenaamde contra-indicaties, niet genegeerd kunnen worden. Dat klinkt positief. Maar deze uitingen tellen slechts mee in de beoordeling van de actuele toestand van de patiënt en worden niet als wilsuiting gezien.

Dit biedt onvoldoende handvatten. Wat moet een arts doen als zijn dementerende patiënt consistent en ondubbelzinnig aangeeft dat hij (nog) niet dood wil, terwijl deze volgens zijn inschatting wilsonbekwaam is en actueel ondraaglijk lijdt?

Duidelijk

Het ligt op de weg van de KNMG om richtlijnen uit te werken en duidelijkheid te scheppen voor arts en patiënt.

De uitspraak heeft mijn ongemakkelijke gevoel niet weggenomen. Als voormalig lid van de RTE heb ik bij herhaling betoogd dat de morele vragen in de toetsing van euthanasie in het afgelopen decennium ondergeschikt zijn geraakt aan juridische argumenten. De uitspraak van de Hoge Raad bevestigt dit beeld. De koffie-euthanasie zaak vormt het kantelpunt in hoe er in de toekomst met de levenswens van patiënten met gevorderde dementie zal worden omgegaan.

Het had daarom in de rede gelegen om fundamentele waarden, zoals het recht op het weigeren van een behandeling, het recht op leven en de beschermwaardigheid van het leven van kwetsbare mensen, in de uitspraak te betrekken. De argumentatie om deze aspecten niet mee te wegen in het vonnis ontbreekt. De noodzaak van een ethisch debat in zowel de beroepsgroepen als de politiek blijft onverminderd bestaan.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.